​STAATSREGELING VAN CURAÇAO 

​STAATSREGELING VAN CURAÇAO 

 

 


 

Preambule 

 

 

 

Wij, het volk van Curaçao, verkondigen: 

 

Het zelfbeschikkingsrecht van het volk van Curaçao is absoluut en onvervreemdbaar. Het volk heeft het laatste woord bij de uitoefening van dit heilige recht. Het volk heeft in vrijheid gekozen voor een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden met een eigen constitutie: de Staatsregeling van Curaçao. Curaçao behartigt als autonoom land zelf al zijn eigen aangelegenheden. In onze democratische rechtsstaat worden grondrechten gegarandeerd en geëerbiedigd. Gerechtigheid is ons hoogste rechtsgoed. Onze regering, ons parlement en onze rechterlijke macht zijn de hoekstenen voor een duurzame positieve ontwikkeling van ons Land. Met ons geloof in God zullen wij genieten van Zijn bescherming, want gezegend is het volk dat de Heer als God heeft. We zullen onze krachten bundelen en in gelijkheid en in vrede ons Land met liefde dienen. 

 

 

Inhoud 

PREAMBULE…………………………………………………………………………………………………………….1 

INHOUD…………………………………………………………………………………………………………………..2 

HOOFDSTUK 1………………………………………………………………………………………………………..3 

Algemene Bepalingen…………………………………………………………………………………………………………………………3 

HOOFDSTUK 2………………………………………………………………………………………………………..4 

Grondrechten ……………………………………………………………………………………………………………………………………..4 

HOOFDSTUK 3………………………………………………………………………………………………………10 

Regering ……………………………………………………………………………………………………………………………………………10 

HOOFDSTUK 4………………………………………………………………………………………………………13 

Staten ………………………………………………………………………………………………………………………………………………..13 

HOOFDSTUK 5………………………………………………………………………………………………………19 

Raad van Advies, Algemene Rekenkamer, Ombudsman en vaste colleges van advies …………………..19 

HOOFDSTUK 6………………………………………………………………………………………………………23 

Wetgeving en bestuur……………………………………………………………………………………………………………………….23 

HOOFDSTUK 7………………………………………………………………………………………………………28 

Het rechtswezen en de rechterlijke macht………………………………………………………………………………………..28 

HOOFDSTUK 8………………………………………………………………………………………………………32 

Openbare lichamen en zelfstandige bestuursorganen……………………………………………………………………..32 

HOOFDSTUK 9………………………………………………………………………………………………………33 

Herziening van de Staatsregeling …………………………………………………………………………………………………….33 

ADDITIONELE ARTIKELEN…………………………………………………………………………………34 

Hoofdstuk 1 

 

Algemene Bepalingen 

Artikel 1 

1. Het Land Curaçao is een openbare rechtspersoon. 

2. Het grondgebied en de zee van het Land Curaçao bestaan uit de eilanden Curaçao en Klein Curaçao en de daarbij behorende territoriale zee. 

 

Artikel 2 

De geldende wettelijke regelingen in het Land Curaçao zijn: a. Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden; 

b. De overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties, voor zover zij voor Curaçao bekrachtigd zijn; 

c. De rijkswetten en de algemene maatregelen van rijksbestuur die op voet van de bepalingen van het Statuut voor Curaçao verbindend zijn; 

d. De Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint 

Maarten, zijnde een onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid van het 

Statuut 

e. Deze Staatsregeling; 

f. De overige landsverordeningen, waaronder eenvormige landsverordeningen; 

g. Landsbesluiten, houdende algemene maatregelen; 

h. Ministeriële regelingen met algemene werking; 

i. Regelingen met algemene werking van openbare lichamen en zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikelen 110 en 111. 

 

 

Hoofdstuk 2 

 

Grondrechten  

Artikel 3 

Allen die zich in Curaçao bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.  

 

Artikel 4 

1. Bij landsverordening wordt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen geregeld.  

2. Ieder heeft het recht het Land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij landsverordening bepaald. 

  

Artikel 5 

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.  

 

Artikel 6 

Iedere in Curaçao woonachtige Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij landsverordening gestelde beperkingen en uitzonderingen.  

 

Artikel 7 

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen. Het bevoegd gezag beantwoordt deze verzoeken binnen redelijke termijn.  

 

Artikel 8 

1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.  

2. Bij landsverordening kunnen ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.  

 

Artikel 9 

1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.  

2. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio‐ of televisie‐uitzending.  

3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening. Bij landsverordening kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar worden geregeld ter bescherming van de goede zeden.  

4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.  

 

Artikel 10 

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij landsverordening kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.  

 

Artikel 11 

1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening.  

2. Bij landsverordening kunnen regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.  

 

Artikel 12 

1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.  

2. Bij landsverordening worden regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.  

3. Bij landsverordening worden regels gesteld inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.  

 

Artikel 13 

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens landsverordening te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.  

 

Artikel 14 

1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens landsverordening bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens landsverordening zijn aangewezen.  

2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij landsverordening gestelde uitzonderingen.  

3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij landsverordening te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij landsverordening te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.  

 

Artikel 15 

1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij landsverordening bepaald, op last van de rechter.  

2. Het telefoon‐ en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij landsverordening bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij landsverordening zijn aangewezen.  

 

Artikel 16 

1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften.  

2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.  

3. In de gevallen bij of krachtens de landsverordening bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.  

 

 

17

1. Buiten de gevallen bij of krachtens landsverordening bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.  

2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de landsverordening te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.  

3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.  

4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.  

 

Artikel 18 

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. 

 

Artikel 19 

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die bij landsverordening aan hem is toegekend.  

 

Artikel 20 

1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.  

2. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.  

 

Artikel 21 

1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg van de regering.  

3. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij landsverordening aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij landsverordening te regelen.  

4. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij landsverordening geregeld.  

5. Er wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij landsverordening te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.  

6. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij landsverordening geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.  

7. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze van de leermiddelen en de aanstelling van de onderwijzers geëerbiedigd.  

8. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij landsverordening te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. Bij landsverordening worden de voorwaarden vastgesteld, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.  

9. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten.  

 

Artikel 22 

1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg van de overheid.  

2. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.  

3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens landsverordening gesteld.  

 

Artikel 23 

1. De bestaanszekerheid van de bevolking, de spreiding van welvaart en de bevordering van welzijn zijn voorwerp van zorg van de overheid.  

2. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.  

3. Ingezetenen met de Nederlandse nationaliteit, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij landsverordening te regelen recht op bijstand van overheidswege. 

 

24

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land, de bescherming van de natuur en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.  

 

Artikel 25 

1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.  

2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg van de overheid.  

3. De overheid schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding. Zij bevordert de toegang tot cultuur voor een ieder en beschermt het culturele erfgoed van Curaçao.  

 

Artikel 26 

Het gezin wordt beschermd door de overheid. De overheid treft maatregelen ter bevordering van een gezond gezinsleven.  

 

Artikel 27 

De zorg van de overheid is gericht op de bescherming van jeugdigen en de bevordering van hun recht op onderwijs, culturele vorming, sport en vrijetijdsbesteding. 

 

Hoofdstuk 3.  

 

Regering 

Artikel 28 

1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. 

2. De Koning wordt vertegenwoordigd door de Gouverneur. 

3. De ministers zijn verantwoordelijk aan de Staten 

 

Artikel 29 

1. De minister‐president en de overige ministers worden bij landsbesluit benoemd en ontslagen. 

2. Indien een minister het vertrouwen van de Staten niet langer heeft stelt hij zijn ambt ter beschikking. 

 

Artikel 30 

1. Om minister te kunnen zijn is vereist dat men ingezetene van Curaçao is, de Nederlandse nationaliteit bezit en niet is uitgesloten van het kiesrecht. 

2. Een minister kan niet tegelijkertijd zijn: 

a. Gouverneur; 

b. vervanger van de Gouverneur; 

c. lid van de Raad van Advies; 

d. lid van de Algemene Rekenkamer; 

e. ombudsman; 

f. gevolmachtigde minister; 

g. lid van de Staten; 

h. lid van of procureur‐generaal of advocaat‐generaal bij het Hof van Justitie; 

i. ambtenaar in actieve dienst. 

3. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid onder g kan een minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid het ambt van minister en het lidmaatschap van de Staten verenigen. 

4. Met ambtenaar, bedoeld in het tweede lid onder i, worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij, die als werkman zijn aangesteld en zij, die in dienst van het landsbestuur op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn. 

 

31

Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de ministers. 

Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd minister zijn. 

 

Artikel 32 

Bij landsbesluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister. 

 

Artikel 33  

1. De ministers vormen tezamen de raad van ministers. 

2. De raad van ministers bestaat uit ten hoogste negen ministers, tenzij bij landsverordening anders wordt bepaald. 

3. De minister‐president is voorzitter van de raad van ministers en vertegenwoordigt Curaçao in rechte. In de vertegenwoordiging van Curaçao buiten rechte wordt telkens bij landsbesluit voorzien.  

4. De raad van ministers beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid. 

5. Indien de Gouverneur een vergadering van de raad van ministers bijwoont, treedt hij op als voorzitter. Hij heeft alsdan een raadgevende stem. 

6. De raad van ministers stelt zijn reglement van orde vast. Het wordt openbaar gemaakt door plaatsing in het Publicatieblad. 

 

Artikel 34 

Alle landsverordeningen en landsbesluiten worden door de Gouverneur en door een of meer ministers ondertekend. 

 

Artikel 35  

Het landsbesluit waarbij de minister‐president wordt benoemd wordt mede door hem ondertekend. De landsbesluiten waarbij de overige ministers worden benoemd of ontslagen worden mede door de minister‐president ondertekend. 

 

Artikel 36 

De ministers leggen voor de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Gouverneur de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af en zweren of beloven trouw aan het Statuut en aan de Staatsregeling: 

“Ik zweer (verklaar) dat ik, middellijk noch onmiddellijk onder welke naam of voorwendsel ook, in verband met het verkrijgen van mijn benoeming als minister aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd noch zal geven. 

Ik zweer (beloof) dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. 

Ik zweer trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk, dat ik de Staatsregeling van Curaçao, steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van 

Curaçao naar mijn vermogen zal voorstaan. 

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig” (“Dat verklaar en beloof ik”). 

 

Artikel 37 

De bezoldiging, het pensioen alsmede overige geldelijke voorzieningen van de ministers en de gevolmachtigde minister worden bij landsverordening geregeld. 

 

Artikel 38 

1. De gevolmachtigde minister kan niet tegelijk zijn: 

a. Gouverneur; 

b. Vervanger van de Gouverneur; 

c. Lid van de Raad van Advies; 

d. Lid van de Algemene Rekenkamer; 

e. Ombudsman; 

f. Minister; 

g. Lid van de Staten; 

h. Lid van of procureur‐generaal of advocaat‐generaal bij het Hof van Justitie; 

i. Ambtenaar in actieve dienst. 

2. Onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid onder g kan een gevolmachtigde minister, tot lid van de Staten gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn toelating als lid het ambt van gevolmachtigde minister en het lidmaatschap van de Staten verenigen. 

3. De gevolmachtigde minister wordt, indien hij op Curaçao aanwezig is, in de gelegenheid gesteld de beraadslagingen van de ministerraad ten aanzien van onderwerpen, welke tot zijn bemoeienis behoren, bij te wonen. Hij heeft alsdan een raadgevende stem. 

 

 

Hoofdstuk 4.  

Staten  

 

Artikel 39 

De Staten vertegenwoordigen het gehele Curaçaose volk.  

 

Artikel 40 

De Staten bestaan uit eenentwintig leden. 

 

Artikel 41 

De zittingsduur van de Staten is vier jaren.   

 

Artikel 42 

1. De leden van de Staten worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen bij landsverordening te stellen grenzen.  

2. De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.  

 

Artikel 43 

1. De leden van de Staten worden rechtstreeks gekozen door de ingezetenen van Curaçao met de Nederlandse nationaliteit die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.  

2. Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij landsverordening aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht. 

 

Artikel 44 

Om lid van de Staten te kunnen zijn is vereist dat men ingezetene van Curaçao is, de Nederlandse nationaliteit bezit, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.  

 

Artikel 45 

1. Een lid van de Staten kan niet tevens zijn: 

a. Gouverneur; 

b. Vervanger van de Gouverneur; 

c. Lid van de Raad van Advies; 

d. Lid van de Algemene Rekenkamer; 

e. Ombudsman; 

f. Minister; 

g. Gevolmachtigde minister; 

h. Lid van of procureur‐generaal of advocaat‐generaal bij het Hof van Justitie; 

i. Ambtenaar in actieve dienst. 

2. Bij landsverordening kan ten aanzien van andere openbare betrekkingen worden bepaald dat zij niet gelijktijdig met het lidmaatschap van de Staten kunnen worden uitgeoefend.  

3. Bij landsverordening kunnen regels worden gesteld voor de vervallenverklaring van het lidmaatschap van een lid van de Staten, dat wegens het begaan van een 

delict bij onherroepelijk rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf. De landsverordening regelt de misdrijven waarvoor het lidmaatschap van de Staten kan worden vervallen verklaard alsmede de beroepsmogelijkheid van het betrokken Statenlid bij het Hof van Justitie.  

4. De Staten kunnen een landsverordening als bedoeld in het tweede en derde lid en tot de wijziging daarvan niet aannemen dan met twee derde meerderheid van de stemmen van het aantal zitting hebbende leden. 

 

Artikel 46 

1. Bloedverwantschap tot en met de tweede graad mag niet bestaan tussen de leden van de Staten. Echtgenoten kunnen niet tegelijkertijd lid van de Staten zijn. 

2. Wanneer personen, die verkeren in één van de gevallen bedoeld in het eerste lid, tegelijkertijd gekozen worden, wordt alleen toegelaten hij, die de meeste stemmen verkreeg, en bij gelijk aantal stemmen, de oudste. Indien in laatstbedoeld geval ook de leeftijden gelijk zijn, beslist het lot. 

3. Hij, die na zijn verkiezing komt te verkeren in het geval, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid, kan op die grond niet verplicht worden af te treden vóór de afloop van zijn tijd van zitting. 

 

Artikel 47 

De Staten onderzoeken de geloofsbrieven van de nieuwbenoemde leden en beslissen met inachtneming van bij landsverordening te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.  

 

48

Alles, wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij landsverordening geregeld.  

 

Artikel 49 

De leden van de Staten leggen voor de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Gouverneur de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af en zweren trouw aan het Statuut en aan de Staatsregeling: 

“Ik zweer (verklaar) dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, in verband met mijn verkiezing als lid van de Staten, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd noch zal geven. 

Ik zweer (beloof) dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. 

Ik zweer trouw aan de Koning en aan het Statuut voor het Koninkrijk, dat ik de Staatsregeling van Curaçao steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van 

Curaçao naar mijn vermogen zal voorstaan. 

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig” (“Dat verklaar en beloof ik”). 

 

Artikel 50 

De Staten benoemen uit de leden een voorzitter en een ondervoorzitter.  

 

Artikel 51 

1. De Staten benoemen hun griffier. Deze en de overige ambtenaren van de Staten kunnen niet tevens lid van de Staten zijn.  

2. De benoeming, schorsing, ontslag en rechtspositie van de griffier, alsmede van de overige ambtenaren van de Staten worden bij landsverordening geregeld. 

 

Artikel 52 

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten en van hun nabestaanden worden bij landsverordening geregeld. De Staten kunnen een voorstel tot zodanige landsverordening of een landsverordening tot wijziging daarvan niet aannemen dan met twee derden van de stemmen van het aantal zitting hebbende leden. 

 

 

53

1. De Staten kunnen bij landsbesluit worden ontbonden.  

2. Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden Staten en tot het samenkomen van de nieuw gekozen Staten binnen drie maanden.  

3. De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen Staten samenkomen. 

4. De zittingsduur van na ontbinding optredende Staten wordt bij landsverordening vastgesteld; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren.  

 

Artikel 54 

1. Het zittingsjaar van de Staten wordt door de voorzitter geopend of gesloten. Het zittingsjaar vangt aan op de tweede dinsdag van de maand september. 

2. Bij de opening van het zittingsjaar van de Staten wordt door of namens de 

Gouverneur een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.  

 

Artikel 55 

1. De vergaderingen van de Staten zijn openbaar.  

2. Door de Staten wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten. De deuren worden gesloten, wanneer vier leden het vorderen of de voorzitter het nodig oordeelt.  

3. De vergadering kan met twee derden van de uitgebrachte stemmen besluiten, dat met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.  

 

Artikel 56 

1. De Staten mogen alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is. 

2. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.  

3. De leden stemmen zonder last.  

4. Over zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, wanneer één lid dit verlangt.  

 

Artikel 57 

De ministers geven de Staten mondeling of schriftelijk de door één of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van het Land of van het Koninkrijk.  

 

58

1. De ministers hebben toegang tot de vergaderingen van de Staten en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.  

2. Zij kunnen door de Staten worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te 

zijn.  

3. Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.  

 

Artikel 59 

De Staten hebben het recht van enquête, te regelen bij landsverordening.  

 

Artikel 60 

1. De Staten kunnen bij landsverordening bepalen dat volgens daarbij te stellen regels een raadplegend referendum wordt gehouden.  

2. Een referendum op grond van het eerste lid kan betrekking hebben op een ontwerp‐landsverordening, die door de regering aan de Staten ter goedkeuring is aangeboden, of een ontwerp‐landsverordening, die de Staten nog niet aan de regering ter bekrachtiging hebben voorgedragen, of op een onderwerp van groot maatschappelijk belang, waarover de regering of de Staten voornemens zijn een beslissing te nemen. 

  

Artikel 61 

De leden van de Staten, de ministers en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.  

 

Artikel 62 

De Staten stellen hun reglement van orde vast. Het wordt openbaar gemaakt door plaatsing in het Publicatieblad. 

 

Artikel 63 

1. De Staten zijn bevoegd de belangen van Curaçao voor te staan bij de regering van het Koninkrijk en bij de Staten‐Generaal. 

2. Een landsverordening die op grond van artikel 52 van het Statuut voor het Koninkrijk aan de Koning of aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk bevoegdheden toekent met betrekking tot landsaangelegenheden kan niet worden aangenomen dan met twee derden van de stemmen van het aantal zitting hebbende leden van de Staten. 

 

 

 

Hoofdstuk 5.  

 

Raad van Advies, Algemene Rekenkamer, Ombudsman en vaste colleges van advies 

 

Artikel 64 

1. Er is een Raad van Advies. 

2. De Raad wordt gehoord over: 

a. alle ontwerpen van landsverordeningen en van landsbesluiten, houdende algemene maatregelen; 

b. alle voorstellen tot goedkeuring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, van de verdragen die Curaçao raken; 

c. alle voorstellen van rijkswetten en ontwerpen van algemene maatregelen van rijksbestuur. 

3. De Raad is bevoegd de regering eigener beweging van advies te dienen in de gevallen, waarin hij zulks in het belang van het Land of van het Koninkrijk geraden oordeelt. 

4. De Raad wordt niet gehoord met betrekking tot de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde voorstellen en ontwerpen indien daaromtrent tussen de Regering en de Gevolmachtigde Minister geen overleg plaatsvindt of naar het oordeel van de Regering om andere reden het horen van de Raad bezwaarlijk is. 

5. De Raad wordt gehoord in de gevallen waarin de Staatsregeling of een landsverordening dit voorschrijft, in alle buitengewone gevallen van gewichtige aard en in alle andere zaken waaromtrent de regering het nodig oordeelt. 

 

Artikel 65 

1. De Raad van Advies bestaat uit de Gouverneur als voorzitter en verder uit ten minste vijf leden, onder wie een ondervoorzitter.  

2. De ondervoorzitter en de leden worden bij landsbesluit benoemd, geschorst en ontslagen. Hun ontslag‐ en schorsingsgronden worden bij landsverordening bepaald. Zij bekleden hun ambt niet langer dan vijf jaren, doch zijn terstond herbenoembaar. 

3. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij landsverordening te bepalen leeftijd worden zij ontslagen. 

4. De rechtspositie van de leden van de Raad van Advies wordt overigens bij landsverordening geregeld. 

5. In de vergadering waar de Gouverneur als voorzitter optreedt, heeft hij een raadgevende stem. 

6. Het ambt van Ondervoorzitter of lid van de Raad is onverenigbaar met de functie van ambtenaar in actieve dienst. 

7. Het ambt van de Ondervoorzitter of lid van de Raad is tevens onverenigbaar met een ambt of een functie ten aanzien waarvan de onverenigbaarheid bij landsverordening is bepaald. 

 

Artikel 66 

1. Bij landsverordening worden de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de Raad van Advies geregeld. 

2. Bij landsverordening kunnen aan de Raad van Advies andere dan in dit hoofdstuk genoemde taken worden opgedragen. 

 

Artikel 67 

Het reglement van orde voor de Raad van Advies wordt door de Raad vastgesteld. 

Het wordt in het Publicatieblad bekend gemaakt. 

 

Artikel 68 

1. Er is een Algemene Rekenkamer. 

2. De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Land.  

 

Artikel 69 

1. Een lid van de Algemene Rekenkamer wordt bij landsbesluit benoemd uit een voordracht van twee personen, opgemaakt door de Staten. Zij bekleden hun ambt niet langer dan vijf jaren, doch zijn terstond herbenoembaar. 

2. Een lid van de Algemene Rekenkamer wordt ontslagen op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij landsverordening te bepalen leeftijd.  

3. Een lid van de Algemene Rekenkamer kan in de gevallen bij landsverordening aangewezen door het Hof van Justitie worden geschorst of ontslagen. 

4. De rechtspositie van de leden van de Algemene Rekenkamer wordt overigens bij landsverordening geregeld.  

 

Artikel 70 

1. Bij landsverordening worden de inrichting, de samenstelling en de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer geregeld.  

2. Bij landsverordening kunnen aan de Algemene Rekenkamer andere dan in dit hoofdstuk genoemde taken worden opgedragen.  

 

Artikel 71 

1. Er is een Ombudsman.  

2. De Ombudsman verricht op verzoek of uit eigen beweging onderzoek naar gedragingen van bestuursorganen van het Land en van andere bij of krachtens landsverordening aangewezen bestuursorganen. 

3. De Ombudsman wordt voor een bij landsverordening te bepalen termijn benoemd door de Staten. Om tot Ombudsman te kunnen worden benoemd is vereist dat men ingezetene van Curaçao is en de Nederlandse nationaliteit bezit.  

4. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij landsverordening te bepalen leeftijd wordt hij ontslagen. In de gevallen bij landsverordening aangewezen kan hij door de Staten worden geschorst of ontslagen. De landsverordening regelt overigens zijn rechtspositie. 

5. Bij landsverordening worden de bevoegdheid en werkwijze van de Ombudsman geregeld. 

6. Bij landsverordening kunnen aan de Ombudsman ook andere taken worden opgedragen. 

7. Bij landsverordening kan een substituut‐Ombudsman worden benoemd. Het derde, vierde en vijfde lid zijn van toepassing op een substituut‐Ombudman. 

 

Artikel 72 

1. Vaste colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur van het Land worden ingesteld bij landsverordening.  

2. Bij landsverordening worden de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van deze colleges geregeld.  

3. Bij landsverordening kunnen aan deze colleges ook andere dan adviserende taken worden opgedragen.  

 

Artikel 73 

1. De adviezen van de in dit hoofdstuk bedoelde colleges worden openbaar gemaakt volgens regels bij landsverordening te stellen.  

2. Adviezen, uitgebracht ter zake van ontwerp‐landsverordeningen die door of vanwege de Gouverneur worden ingediend, worden, behoudens bij landsverordening te bepalen uitzonderingen, aan de Staten overgelegd.  

 

Hoofdstuk 6.  

 

Wetgeving en bestuur  

 

Artikel 74 

De vaststelling van landsverordeningen geschiedt door de regering en de Staten gezamenlijk. 

 

Artikel 75 

De bekrachtiging van ontwerp‐landsverordeningen geschiedt door de regering na verkregen goedkeuring of op voordracht van de Staten. Zij verkrijgen daardoor kracht van landsverordening. 

 

Artikel 76 

De regering dient ontwerp‐landsverordeningen ter goedkeuring bij de Staten in. 

 

Artikel 77 

1. De Staten hebben het recht ontwerp‐landsverordeningen aan de regering voor te dragen. 

2. Ontwerp‐landsverordeningen door de Staten voor te dragen worden bij hen aanhangig gemaakt door één of meer leden. 

 

Artikel 78 

1. Zolang een ontwerp‐landsverordening ingediend door de regering niet door de Staten is goedgekeurd kan deze door hen, op voorstel van een of meer leden, en door de regering worden gewijzigd. 

2. Zolang de Staten nog niet hebben besloten tot voordracht van een  ontwerp‐landsverordening kan deze door hen, op voorstel van één of meer leden en door het lid of de leden door wie deze aanhangig gemaakt is, worden gewijzigd. 

 

Artikel 79 

1. Zolang een ontwerp‐landsverordening ingediend door de regering niet door de 

Staten is goedgekeurd kan deze door de regering worden ingetrokken. 

2. Zolang de Staten nog niet hebben besloten tot voordracht van een  ontwerp‐landsverordening kan deze, door het lid of de leden door wie deze aanhangig gemaakt is, worden ingetrokken. 

 

Artikel 80 

1. De regering en de Staten geven elkaar kennis van hun besluit omtrent enige  ontwerp‐landsverordening. 

2. Indiening en intrekking van ontwerp‐landsverordeningen door de regering geschieden door tussenkomst van de Gouverneur. 

 

Artikel 81 

Bij landsverordening worden de bekendmaking en de inwerkingtreding van landsverordeningen geregeld. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt. 

 

Artikel 82 

Voorzover bij de Samenwerkingsregeling bedoeld in artikel 2 onder de letter d van deze Staatsregeling voorzieningen worden getroffen welke afwijken van bepalingen van deze Staatsregeling, blijven deze bepalingen buiten toepassing. 

 

Artikel 83 

1. Door de regering worden landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, vastgesteld. 

2. Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens landsverordening. Bij landsverordening worden de op te leggen straffen bepaald.  

3. Artikel 79 is van overeenkomstige toepassing op landsbesluiten, houdende algemene maatregelen. 

4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op ministeriële regelingen. 

 

Artikel 84 

Het opleggen van belastingen en andere heffingen wordt bij landsverordening vastgesteld. 

 

Artikel 85 

1. De begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het land wordt bij landsverordening vastgesteld. 

2. De op de gewone dienst van de begroting van een begrotingsjaar geraamde uitgaven worden volledig gedekt door de ter dekking van die uitgaven opgenomen middelen. De op de kapitaaldienst geraamde uitgaven worden gedekt door de ter dekking van die uitgaven opgenomen middelen, rekening houdende met het saldo van de gewone dienst en de verwachte ontvangsten uit de uitgifte van geldleningen. De omvang van leningen wordt begrensd door een bij landsverordening vast te stellen rentelastnorm. 

3. De begroting wordt jaarlijks in één of meer ontwerpen door de regering aan de Staten uiterlijk op de tweede dinsdag van de maand september aangeboden.  

4. De regering biedt jaarlijks een sluitende meerjarenbegroting aan de Staten aan. 

5. De verantwoording van de ontvangsten en de uitgaven van het land wordt aan de Staten gedaan overeenkomstig bepalingen vastgesteld bij landsverordening. De door de Algemene Rekenkamer onderzochte rekening wordt jaarlijks aan de Staten overgelegd. 

6. Bij landsverordening worden regels gesteld omtrent het beheer van de financiën van het land en een doeltreffend comptabel bestel. 

 

Artikel 86 

1. Bij landsverordening worden regels gesteld ten einde de rechtmatigheid en integriteit van het bestuur en het bestuurlijk handelen alsmede de deugdelijkheid van het financieel beheer te waarborgen. 

2. Jaarlijks wordt verantwoording afgelegd. 

 

Artikel 87 

Het aangaan of garanderen van een geldlening ten name of ten laste van het land geschiedt niet dan bij of krachtens landsverordening tot vaststelling of wijziging  van de begroting. 

 

Artikel 88 

1. Er is een centrale bank. De centrale bank oefent het toezicht op het geldstelsel uit. Bij landsverordening kunnen andere taken aan de centrale bank worden opgedragen. 

2. Het geldstelsel wordt bij of krachtens landsverordening geregeld. 

 

Artikel 89 

1. Bij landsverordening worden het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk‐ en het strafprocesrecht in wetboeken geregeld, met inachtneming van artikel 39 van het Statuut. 

2. Bij landsverordening worden algemene regels van bestuursrecht vastgesteld. 

 

Artikel 90 

De rechtspositie van de ambtenaren wordt bij landsverordening geregeld.  

 

Artikel 91 

De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij landsverordening te stellen.  

 

Artikel 92 

Bij landsverordening wordt het beheer van domeinen en andere domaniale rechten geregeld. 

 

Artikel 93 

Gratie wordt verleend bij landsbesluit na ingewonnen advies van de rechter door wie het vonnis is gewezen met inachtneming van bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften. 

 

Artikel 94 

1. Ingezetenen kunnen niet dan bij landsverordening tot dienst in de krijgsmacht dan wel tot burgerdienstplicht worden verplicht. 

2. De dienstplichtigen, dienende bij de krijgsmacht, kunnen zonder hun toestemming niet dan ingevolge een landsverordening naar elders worden gezonden. 

 

Artikel 95 

In geval van buitengewone omstandigheden kan bij landsbesluit worden bepaald dat in het land woonachtige dienstplichtigen buitengewoon in werkelijke dienst worden gehouden of geroepen. Alsdan wordt onverwijld een ontwerp‐landsverordening bij de Staten ingediend om het in werkelijke dienst blijven van dienstplichtigen zoveel nodig te bepalen. 

 

Artikel 96 

1. Bij landsverordening wordt bepaald in welke gevallen ter handhaving van de uit‐ of inwendige veiligheid bij landsbesluit een door de landsverordening als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd. De landsverordening regelt de gevolgen. 

2. Bij die regeling kan worden afgeweken van de bepalingen van de Staatsregeling betreffende de vrijheid van drukpers, het recht van vereniging en vergadering, alsmede van de onschendbaarheid van de woning en het briefgeheim.  

3. De Staten beslissen terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en voorts, zolang deze niet bij landsbesluit is opgeheven, telkens wanneer zij zulks nodig oordelen, omtrent het voortduren daarvan.  

 

Hoofdstuk 7.  

 

Het rechtswezen en de rechterlijke macht 

 

Artikel 97 

Er wordt recht gesproken in naam van de Koning. 

 

Artikel 98  

1. De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn: 

a. het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao; 

b. het Hof van Justitie.  

2. Als rechter in eerste aanleg treden op de leden en plaatsvervangend leden van het Hof van Justitie. Als rechter in eerste aanleg kunnen optreden rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg die geen lid zijn van de rechterlijke macht. 

3. De rechtsmacht van de Hoge Raad der Nederlanden ten aanzien van rechtszaken in Curaçao wordt geregeld bij rijkswet. 

4. Elke tussenkomst in rechtszaken is verboden.  

5. Bij onderlinge regeling met een of meer landen van het Koninkrijk kunnen regels worden gesteld over de rechterlijke organisatie. Een onderlinge regeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij rijkswet als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk vastgesteld. De regering neemt hierbij de bepalingen van de Staatsregeling in acht. 

 

Artikel 99  

1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen: 

a. de berechting van geschillen over burgerlijke zaken; 

b. de berechting van strafbare feiten. 

2. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van geschillen over bestuursrechtelijke zaken, tenzij bij landsverordening de kennisneming van bestuursrechtelijke zaken is opgedragen aan bijzondere rechtscolleges waarin een of meer leden van de rechterlijke macht mede zitting hebben.  

3. De inrichting, de samenstelling en de bevoegdheid van de rechterlijke macht worden overigens bij landsverordening geregeld, tenzij een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid, tot stand is gekomen die hierin voorziet. 

 

 

Artikel 100 

De doodstraf kan niet worden opgelegd. 

 

Artikel 101 

De rechter treedt niet in de beoordeling van de verenigbaarheid van landsverordeningen met de Staatsregeling, behoudens de toetsing aan de grondrechten genoemd in de artikelen 3 tot en met 21. Landsverordeningen vinden geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een of meer van deze bepalingen. 

 

Artikel 102 

1. De leden en plaatsvervangend leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.  

2. De leden en plaatsvervangend leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, worden op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij landsverordening te bepalen leeftijd bij koninklijk besluit ontslagen, tenzij een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid, tot stand is gekomen die hierin voorziet.  

3. In de gevallen bij rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut bepaald, kunnen zij door de Hoge Raad der Nederlanden worden geschorst of ontslagen. 

 

Artikel 103 

De rechtspositie van de president en de overige leden van het Hof wordt bij landsverordening geregeld, tenzij een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid, tot stand is gekomen die hierin voorziet.  

 

Artikel 104 

1. De terechtzittingen vinden in het openbaar plaats, behoudens uitzonderingen te stellen bij landsverordening of een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid. 

2. De uitspraken bevatten de gronden waarop zij zijn gewezen of uitgevaardigd en, in strafzaken, de aanwijzing van de artikelen van de wettelijke regelingen waarop de veroordeling berust. 

3. De uitspraken worden in het openbaar gedaan. 

 

Artikel 105 

1. Het openbaar ministerie bij het Hof wordt uitgeoefend door of namens de procureur‐generaal. 

2. De procureur‐generaal wordt bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen. 

3. De inrichting, de samenstelling en de bevoegdheid van het openbaar ministerie worden overigens bij landsverordening geregeld, tenzij een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid, tot stand is gekomen die hierin voorziet.  

4. De rechtspositie van de procureur‐generaal wordt geregeld bij landsverordening, tenzij een onderlinge regeling als bedoeld in het derde lid tot stand is gekomen die hierin voorziet.  

 

Artikel 106 

De procureur‐generaal is bevoegd tot het instellen en intrekken van hoger beroep van strafzaken.  

 

Artikel 107 

1. De procureur‐generaal is het hoofd van het openbaar ministerie en is belast met de zorg voor de justitiële politie. Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met de politie belast zijn zodanige instructies te geven tot voorkoming, opsporing en nasporing van misdrijven of overtredingen als hij in het belang van een goede justitie nodig oordeelt. 

2. De procureur‐generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak van de politie. Hij is bevoegd te dien aanzien aan de regering de voorstellen te doen die hem dienstig voorkomen. 

3. In geval van belet of ontstentenis van de procureur‐generaal voor langere duur wordt bij koninklijk besluit in de vervanging voorzien.  

 

Artikel 108 

1. Wanneer het aan het Hof voorkomt, dat de vervolging van strafbare feiten in Curaçao behoort ingesteld of voortgezet te worden, is de procureur‐generaal verplicht om dan te voldoen aan een bevel van het Hof om verslag te geven en de daartoe betrekkelijke stukken over te leggen. 

2. De procureur‐generaal is, behoudens de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, verplicht om op bevel van het Hof te vervolgen of te doen vervolgen. 

3. Onverminderd het bepaalde in de beide voorgaande leden zijn de ambtenaren van het openbaar ministerie verplicht om de bevelen na te komen die aan hen in hun ambtsbetrekking op grond van de landsverordening gegeven worden, of op grond van een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid, indien die tot stand is gekomen. 

 

Artikel 109  

Bij landsverordening kan worden bepaald dat aan de rechtspraak mede kan worden deelgenomen door personen die niet tot de rechterlijke macht behoren, tenzij een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 98, vijfde lid, tot stand is gekomen die hierin voorziet.  

 

 

Hoofdstuk 8.  

Openbare lichamen en zelfstandige bestuursorganen 

 

Artikel 110 

1. Bij landsverordening kunnen openbare lichamen ter behartiging van bepaalde belangen worden ingesteld en opgeheven. 

2. Bij landsverordening worden de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en de bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen vastgesteld. Bij landsverordening kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend. 

3. Het toezicht op deze besturen wordt bij landsverordening vastgesteld. 

Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang. 

 

Artikel 111 

1. Bij landsverordening kan een zelfstandig bestuursorgaan worden ingesteld en opgeheven. 

2. Bij landsverordening worden de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van het zelfstandige bestuursorgaan,  alsmede de openbaarheid van zijn vergaderingen geregeld.  

3. Bij landsverordening kan aan een zelfstandig bestuursorgaan verordenende bevoegdheid worden verleend. De afkondiging van verordeningen van een zelfstandig bestuursorgaan geschiedt door hun plaatsing in het Publicatieblad, met vermelding van de datum van uitgifte. 

4. Bij landsverordening wordt het toezicht op een zelfstandig bestuursorgaan geregeld.  

5. Vernietiging door de regering of onthouding van goedkeuring door het bij landsverordening aangewezen orgaan kan alleen plaatsvinden wegens strijd met het recht en het algemeen belang. 

6. Een besluit tot vernietiging of tot onthouding van goedkeuring wordt met redenen omkleed en regelt de gevolgen daarvan. De Raad van Advies wordt over een besluit tot vernietiging gehoord. 

7. Tegen een besluit tot vernietiging of onthouding van goedkeuring als bedoeld in lid 5 kan in beroep worden gekomen bij de rechter in eerste aanleg. De rechter behandelt het beroep in een openbare zitting . Tegen de beslissing van de rechter staat geen hogere voorziening open. 

Hoofdstuk 9 

 

Herziening van de Staatsregeling  

 

Artikel 112 

1. Bij landsverordening kunnen in de bepalingen van deze staatsregeling wijzigingen worden aangebracht. Elk voorstel tot verandering van de Staatsregeling wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. 

2. De Staten kunnen een voorstel tot zodanige landsverordening niet aannemen dan met twee derden van de stemmen van het aantal zitting hebbende leden. 

 

Artikel 113 

Deze landsverordening kan worden aangehaald als ʺStaatsregeling van Curaçaoʺ. 

 

Additionele Artikelen 

 

Artikel I.  

Bij landsverordening worden voorzieningen getroffen betreffende de verdere gelding als regelingen van Curaçao van de op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Staatsregeling in Curaçao geldende landsverordeningen en andere regelingen en besluiten van de Nederlandse Antillen alsmede eilandsverordeningen en andere regelingen en besluiten van het eilandgebied Curaçao en betreffende de handhaving van de op dat tijdstip in Curaçao bestaande organen van openbaar bestuur. 

 

Artikel II.  

Artikel 89, tweede lid, treedt eerst na vijf jaren of op een bij landsverordening te bepalen eerder tijdstip in werking. 

 

Artikel III.  

1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van de Staatsregeling fungerende eilandsraad van Curaçao verkrijgt op dat tijdstip de hoedanigheid van Staten van Curaçao. 

2. De ingevolge het eerste lid zitting hebbende leden van de Staten treden, vier jaren nadat zij als leden van de eilandsraad zitting hebben genomen, tegelijk af, behoudens in geval de Staten eerder worden ontbonden. 

3. Tot het in het tweede lid genoemde tijdstip geschiedt de vervulling van opengevallen plaatsen in de Staten met toepassing van de bepalingen die op . . . . . 

. .(de dag vóór het tijdstip waarop nieuwe status intreedt) op de eilandsraad van Curaçao van toepassing waren. 

 

Artikel IV 

 

1. De Staten kunnen op voorstel van de regering besluiten een ontwerplandsverordening in behandeling te nemen die vóór het tijdstip van 

inwerkingtreding van deze Staatsregeling door de regering van de Nederlandse Antillen aanhangig was gemaakt. Zij nemen de behandeling van het desbetreffende ontwerp over in de staat waarin die behandeling verkeerde op het evenbedoelde tijdstip. 

2. De Staten kunnen besluiten een ontwerp‐landsverordening in behandeling te nemen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze Staatsregeling door 

een lid van de Staten van de Nederlandse Antillen bij de Staten van de 

Nederlandse Antillen aanhangig was gemaakt. Zij nemen de behandeling van het desbetreffende ontwerp over in de staat waarin die behandeling verkeerde op het evenbedoelde tijdstip. 

3. Dit artikel vervalt vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Staatsregeling. 

 

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Contact us



Connecting...
created by TelegramWordpress.com
error: Content is protected !!
%d bloggers like this: