Video: 25 jaar celstraf voor B.C.A.F. in zaak Magnus/Maximus
Datum uitspraak: 11 mei 2017
Tegenspraak
Parketnummer: 500.00972/13
1
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
S T R A F V O N N I S
in de zaak tegen de verdachte:
B.C.A. F.,
geboren op Curaçao,
wonende in Curaçao, thans (uit andere hoofde) gedetineerd in Nederland.
1. Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013,
16 april 2014, 4 augustus 2014, 7 augustus 2014, 8 augustus 2014, 19 augustus 2016,
7 september 2016, 19 april 2017 en 21 april 2017. De verdachte is telkens verschenen,
bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C. Vaders. Vanaf 19 augustus 2016 heeft de
behandeling plaatsgevonden door middel van een videoconference verbinding tussen het
gerechtsgebouw in Curaçao en de Penitentiaire Inrichting Middelburg in Nederland, waarbij
de rechter, de griffier, de officieren van justitie en de raadsvrouw van de verdachte
tegenwoordig waren in Curaçao en de verdachte in Middelburg.
Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het
primair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van
zesentwintig jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd:
primair
dat hij op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, Helmin Magno
Wiels van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en
aldaar, opzettelijk, en/of na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een
vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van)
voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of
letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden;
subsidiair
dat medeverdachte E.R.K. en/of medeverdachte R.J. M. en/of één of meer anderen op of
omstreeks 05 mei 2013 te Curaçao, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade
Helmin Magno Wiels van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben
voornoemde K. en/of M. en/of één of meer anderen opzettelijk en/of na kalm beraad en
rustig overleg met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam
van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge
waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die Wiels aan
die letsels en/of verwondingen is overleden,
welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
in of omstreeks de periode 01 april 2013 tot en met 05 mei 2013 te Curaçao opzettelijk heeft
uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of
middelen en/of inlichtingen door
– die K. en/of één of meer anderen te vragen en/of op te dragen om Wiels te
vermoorden en/of
– die K. en/of één of meer anderen als vergoeding voor de moord op Wiels 100.000
gulden, althans een aanzienlijk geldbedrag, in het vooruitzicht te stellen en/of te
betalen voor het (mede)plegen van de moord op Wiels en/of
– tezamen en in vereniging met L. F. die K. en/of één of meer anderen een vuurwapen
en/of kleding en/of handschoenen te overhandigen en/of
– die K. en/of één of meer anderen instructies te geven over de moord op Wiels.
(artikel 2:262 en 2:259 jo 1:123 jo 1:124 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)
3. Voorvragen
Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot
kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en
dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. Bewijsbeslissingen
4A. Bewezenverklaring
Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige
bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft
begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:
dat hij op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, Helmin Magno
Wiels van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en
aldaar, opzettelijk, en/of na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een
vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van)
voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of
letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet
bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
4B. Bewijsmiddelen
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de
feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat. Voor
zover geschriften worden gebruikt, worden deze slechts gebruikt in samenhang met de
inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.
In de navolgende bewijsmiddelen wordt verwezen naar paginanummers in het proces-
verbaal genaamd deelonderzoek “Marie Pampun” opgemaakt door A. Plaate en
R. van Tellingen, respectievelijk hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao en
inspecteur van politie te Nederland, tijdelijk gedetacheerd als buitengewoon ambtenaar van
politie bij het Korps Politie Curaçao.
pagina 1349
Proces-verbaal van doodsconstatering, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 6
mei 2013 door L.M. Adoptie, brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover
inhoudende als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op 5 mei 2013 vond ter hoogte van de Pier te Marie Pampoen te Curaçao een
schietpartij met dodelijke afloop plaats. Het slachtoffer bleek te zijn Helmin Magno
Wiels, geboren op 9 december 1958. De dood van het slachtoffer werd op 5 mei 2013
door dr. A.H.E. Maduro en dr. M.C. Moses geconstateerd.
pagina’s 1880-1899
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met bijlagen,
opgemaakt op 23 mei 2013 door P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, voor zover
inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bij sectie op het lichaam van H.M. Wiels, geboren op 9 december 1958, zijn de
volgende bevindingen gedaan. Verspreid over de romp, de rechterarm en het
rechterbeen waren in totaal tien bij leven opgelopen schotkanalen, waarbij het
schotkanaal aan de arm aansluitend kon worden gemaakt aan de schotkanalen aan de
voorzijde van het lichaam. Derhalve betroffen het mogelijk negen dan wel tien schoten.
Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door uitgebreide orgaanschade
(aan onder meer het hart en het ruggenmerg) ten gevolge van de schotkanalen.
pagina’s 422-430
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 7 mei 2013
door T.A. Mattheeuw en R.J.D. Raphaela, beiden brigadier van politie bij het Korps Politie
Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van M.A.B., zakelijk weergegeven:
De man die M. wordt genoemd is E.K.. Hij heeft mij dat zelf gezegd.
pagina’s 743-746
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 7 mei 2013
door H.I. Mathew en T.A. Mattheeuw, beiden brigadier van politie bij het Korps Politie
Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van J.B.B. zakelijk weergegeven:
L.F. wordt P. of L. genoemd.
In de navolgende bewijsmiddelen wordt voor zover van toepassing verwezen naar
paginanummers in het proces-verbaal genaamd deelonderzoek “Maximus” opgemaakt door
R. Blansjaar, brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao.
pagina’s V0012-V0026
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 11 maart 2014
door L.J. Itanare Fernandez-Overman Huerta en I.J.C. Meulens, beiden brigadier van politie
bij het Korps Politie Curaçao, werkzaam binnen het Recherche Samenwerkingsteam te
Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van E.K., zakelijk weergegeven:
Op 5 mei 2013 was ik in de wijk Koraalspecht. P. zei tegen mij dat een man die zich
op dat moment te Marie Pampoen bevond geliquideerd moest worden. Hij zei mij dat
het om Helmin Wiels ging en dat er NAf 100.000 voor betaald zou worden. Ik ben
met B. naar Marie Pampoen gereden in een Kia Picanto. B. trad op als chauffeur en
ik was inzittende. Bij Marie Pampoen stopte B. de auto en ben ik uitgestapt. Ik
bevond mij op ongeveer drie meter van Helmin Wiels. Ik richtte het pistool op hem en
begon te schieten. Bij het derde of vierde schot zag ik dat hij een paar stappen in mijn richting deed. Toen ik zag dat Helmin Wiels neerviel ging ik door met schieten.
Als ik mij niet vergis heb ik negen á elf kogels gelost. Ik heb het vuurwapen helemaal
leeg geschoten op hem. Met B. bedoel ik R.M..
Met P. bedoel ik L. uit Koraalspecht [het Gerecht begrijpt: L.F.].
De opdracht om Wiels te vermoorden kwam van P. en N.. P. heeft mij NAf. 60.000,–
betaald. Ik heb van P. vernomen dat N.F. de opdracht om Helmin Wiels te
vermoorden had gekregen. N. heeft op zijn beurt P. benaderd. P. moest op zijn beurt
de soldaten inhuren om de moord op Helmin Wiels uit te laten voeren. Met N.F.
bedoel ik de persoon die ook in deze zaak vast zit. Hij woont in Koraal Specht.
pagina’s G0009-G0012
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 12 oktober
2015 door J.W.M. Kapteijns, brigadier van politie van politie eenheid Rotterdam, R.B. Lovert
en I.J.C. Meulens, beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, werkzaam
binnen het Recherche Samenwerkingsteam te Curaçao, voor zover inhoudende als
verklaring van E.K., zakelijk weergegeven:
In verband met de moord op Wiels is er een ontmoeting geweest in de garage van
P.. Dit was een ontmoeting tussen P., N., B. en mij. N. zei toen dat P. met B. en mij
moest praten.
pagina’s G0037- G0047
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 11 februari
2014 door H.J. Leito en R.B. Lovert, respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie bij
het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige M.A.K.-
A., zakelijk weergegeven:
Op 5 mei 2013 heb ik mijn man E.K. afgezet in Koraalspecht. E.heeft mij op 6 mei
2013 verteld dat hij de dag ervoor Helmin Wiels had doodgeschoten. Hij heeft mij
verteld dat hij naar de woning van P. is gegaan, dat hij N. en P. in de garage van de
woning van P. had aangetroffen en dat P. hem in het bijzijn van N. had verteld dat
Helmin Wiels bij de Pier van Marie Pampoen was gezien en dat P. hem vroeg of hij
bereid was Wiels dood te schieten. E.heeft verder gezegd dat N. geld had gekregen
en dit aan P. had gegeven om de schutter en de chauffeur te betalen. Hij is met B. in
een Kia Picanto naar de pier van Marie Pampun gereden waar hij Wiels heeft
doodgeschoten. B. was de chauffeur van de Kia Picanto.
pagina’s G0017- G0021
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 5 september
2013 door H.J. Leito en R.B. Lovert, respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie bij
het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige
S.J. Rombley, zakelijk weergegeven:
Op 8 mei 2013 heeft M. mij verteld dat hij in opdracht van L. en N. de president had
geliquideerd. Met de president bedoelde hij Wiels. Op 5 mei 2013 was hij, M., door
M. afgezet bij de woning van L.. In de garage van L. had hij N., B. en L. aangetroffen.
pagina’s G0173-G0178
Proces-verbaal van verhoor van bedreigde getuige B5 d.d. 15 januari 2015, opgemaakt door
mr. S.M. Christiaan, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, voor
zover inhoudende als verklaring van deze getuige, zakelijk weergegeven:
Ik heb van B. gehoord dat er een vergadering heeft plaatsgevonden in de garage
van P. om de moord op Wiels te beramen. N., M. en P. waren daarbij. N. deelde hen
mee wat de opdracht was. N. gaf instructies aan P. zodat P. de uitvoerder weer kon
instrueren. N. moest achteraf het geld verdelen. B. heeft mij verteld dat degene die
had betaald om Wiels te vermoorden belangrijke mensen zijn. Hij noemde de naam
J.. Ik heb van B. begrepen dat P. het geld van die offerte via N. van J. heeft
gekregen. Ik heb B. en Gino met elkaar horen spreken over een offerte die J. zou
hebben uitgebracht om Wiels te vermoorden.
pagina’s G0420-G0422
Proces-verbaal van verhoor van getuige E.A.G. d.d. 31 maart 2017, opgemaakt door mr.
S.M. Christiaan, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, voor zover
inhoudende als verklaring van deze getuige, zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van de betrokkenheid van G.J. bij het geven van de opdracht om
Helmin Wiels te vermoorden kan ik het volgende vertellen. Twee of drie dagen na de
moord op Helmin Wiels werd ik telefonisch benaderd door een informant van de
Veiligheidsdienst Curaçao (VDC) voor een ontmoeting. Ik was op dat moment
officieel nog hoofd van de VDC. Ik kende deze informant van mijn werk bij de VDC.
Hij was door de VDC met goed gevolg gescreend op betrouwbaarheid. Tijdens die
ontmoeting vertelde deze informant mij dat hij er getuige van was geweest dat J. aan
een man, die in een auto zat, vroeg of hij iemand “koud” kon maken voor hem. Hij zei
daarbij dat het ging om Helmin Wiels. P. zat achter in die auto. J. stond buiten de
auto. Diezelfde nacht kwam deze auto terug. In de auto zaten toen P. en de heer F..
Ze kwamen terug bij J. voor het aanbod om Wiels te vermoorden. F. heeft toen tegen
J. gezegd: “ma tende ku bo tin un trabao mi a bin tume” [Gerecht:“Ik heb gehoord dat
je een werk hebt. Ik kom het aannemen”]. Deze ontmoetingen vonden plaats in de
omgeving van de woning van J.. De informant was op dat moment in de buurt van J.
en heeft verteld dat hij dit alles zelf gezien en gehoord heeft.
pagina’s V0441-V0446
Proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 20 september
2013 door T.A. Mattheeuw en R.J.D. Raphaela, beiden brigadier van politie bij het Korps
Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik woon in Koraal Specht. Ik word ook ‘N.’ genoemd.
pagina’s B0595-B0598
Proces-verbaal van bevindingen telefonische contacten F.-J.-F., in de wettelijke vorm
opgemaakt en gesloten op 12 januari 2016 door M. de Wit, brigadier van politie bij het Korps
Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant voornoemde, zakelijk
weergegeven:
Uit opgevraagde telecomgegevens van B.C.A., geboren op 1 mei 1971 te Curaçao
[het Gerecht begrijpt: de verdachte] en G.R.M.J. zijn de volgende sms-berichten
gebleken:
30 april 2013 te 15:28 uur van F. aan J.:
“Ki dia mi wak bo pami por kuminsa traha ruman mi tin mi uniform nan kaba”.
(Wanneer kan ik je zien, zodat ik kan beginnen met werken? Ruman, ik heb reeds
mijn uniformen).
30 april 2013 te 15:42 uur van J. aan F.:
“Lora na mi kas pa mi waknan”
(Kom bij me thuis, zodat ik ze kan zien).
30 april 2013 te 16:01 uur van F. aan J.:
“Se mi tei”
(Ja, ik ben er).
4 mei 2013 te 10:53 uur van J. aan F.:
“E la manda pa mi bisa algu ki ora por pasa pa mi bisa bo”
(Hij heeft me laten weten om iets te zeggen. Wanneer kun je langskomen zodat ik
het jou kan zeggen).
4 mei 2013 te 10:54 uur van F. aan J.:
“12or ta bon”
(12:00 uur is goed).
4 mei 2013 te 10:55 uur van J. aan F.:
“Aworaki lo ta miho. Mi ta na kas”
(Nu komt het beter uit. Ik ben thuis).
4 mei 2013 te 10:56 uur van F. aan J.:
“ Mi ta bin ok”
(Ik kom ok).
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 19 april 2017 voor zover
inhoudende naar aanleiding van de hiervoor vermelde sms-berichten, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat dit berichten zijn tussen mij en G.J..
4C. Bewijsoverwegingen
Algemene beschouwing met betrekking tot het bewijs.
Het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit, berust
in overwegende mate op vier pijlers, te weten de verklaringen van E.R.K. (hierna: K.), de
verklaring van de bedreigde getuige B5, de verklaring van E.A.G. (hierna: G.) en de
berichtenwisseling tussen de verdachte en G.R.M.J. (hierna: J.). Aan deze bewijsmiddelen
ligt telkens een andere bron ten grondslag. Voorts ondersteunen de pijlers elkaar onderling
en verlenen ze gezamenlijk draagkracht aan de bewijsconstructie. Elk van deze pijlers zou
wellicht op zichzelf onvoldoende zijn, maar in onderling verband verlenen zij naar het
oordeel van het Gerecht aan de bewijsconstructie meer dan voldoende stevigheid om de
bewezenverklaring te dragen. Het Gerecht zal hierna de verschillende pijlers mede aan de
hand van de gevoerde verweren nader beschouwen.
De verklaringen van de getuige K..
De raadsvrouw heeft het standpunt ingenomen dat de verklaringen van de getuige K.
dermate onbetrouwbaar zijn, dat deze niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
Het Gerecht volgt dit standpunt niet.
Bij de beoordeling van de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van K. heeft het
Gerecht de (door de raadsvrouw benoemde) inconsistenties en tegenstrijdigheden onder
ogen gezien. Het Gerecht heeft deze verklaringen gelet hierop behoedzaam beoordeeld en
gewaardeerd.
Ten aanzien van de verklaringen van K. die tot het bewijs zijn gebezigd heeft het Gerecht
geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid daarvan nu deze – in
onderling verband en samenhang bezien met elkaar en het overige (steun)bewijs – in de
kern consistent zijn. Het Gerecht wijst er in dit verband op dat K. steeds consequent
verklaard heeft dat F. en de verdachte de opdrachtgevers waren voor de moord op Wiels.
Ten aanzien van de verklaring over de ontmoeting in de garage van F. waarbij de
verdachte, F., K. en M. aanwezig waren, wordt in aanmerking genomen dat deze wordt
ondersteund door de verklaringen van M.A.K-A. en
S.J.R.
1
, die van meet af aan hebben verklaard dat K. hen dit kort na de moord op Wiels had
medegedeeld, alsmede door de verklaring van de bedreigde getuige B5.
De verklaring van de bedreigde getuige B5
Het Gerecht stelt voorop dat ingevolge artikel 385, vierde lid, van het Wetboek van
Strafvordering (Sv) de verklaring van deze getuige alleen als bewijsmiddel gebezigd mag
worden indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.
Naar het oordeel van het Gerecht is, gelet op de verklaringen van K. en G. en de voor het
bewijs gebezigde sms-berichten, aan deze voorwaarde voldaan.
1 Hoewel de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad de getuige R. te ondervragen acht het Gerecht haar
verklaring bruikbaar voor het bewijs nu deze in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Het Gerecht acht de verklaring van de bedreigde getuige B5 ook overigens betrouwbaar en
bruikbaar voor het bewijs. Het Gerecht overweegt daartoe allereerst dat de rechter-
commissaris afdoende heeft gemotiveerd waarom de anonimiteit van deze getuige dient te
worden gewaarborgd. Voorts is door de rechter-commissaris aangegeven dat de redenen
van wetenschap van deze getuige bij haar, de rechter-commissaris, bekend zijn.
Het Gerecht acht daarnaast van belang dat deze getuige consistent en gedetailleerd heeft
verklaard en deze verklaringen, zoals reeds gezegd, voldoende steun vinden in de overige
bewijsmiddelen.
De verklaring van de getuige G.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaring van G. afgelegd bij de rechter-commissaris,
voor zover daarin wordt weergegeven de verklaring van een onbekend gebleven informant,
op grond van artikel 385 Sv van het bewijs dient te worden uitgesloten.
Dit verweer wordt verworpen.
Volgens vaste jurisprudentie kan een verklaring van een getuige, voor zover hij daarin
verslag doet van hetgeen een andere (onbekend gebleven) persoon hem heeft verteld niet
worden aangemerkt als een getuigenis als bedoeld in artikel 385, tweede lid, Sv (zie Hoge
Raad, 14 december 2004, ECLI:NLHR:2004:AQ8925).
De getuige G. is door de rechter-commissaris gehoord. De raadsvrouw van de verdachte is
in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn en vragen te stellen aan deze getuige. Zij
heeft daar echter geen gebruik van gemaakt. Ook nadat de verklaring van G. aan haar was
verstrekt heeft de verdediging geen verzoek gedaan de getuige nader te horen. Onder deze
omstandigheden verbiedt geen rechtsregel de verklaring van deze getuige – ook waar het
gaat om een verklaring de auditu van een niet nader te traceren persoon – te gebruiken voor
het bewijs. Het Gerecht heeft deze verklaring met de nodige behoedzaamheid beoordeeld
en acht de verklaring voldoende betrouwbaar. Het Gerecht acht daarbij van belang dat deze
is afgelegd door het voormalig hoofd van de VDC, de weergegeven verklaring van de
informant gedetailleerd is en de redenen van wetenschap daarin zijn opgenomen. Hiernaast
neemt het Gerecht daarbij in aanmerking de omstandigheid dat ook deze verklaring in
belangrijke mate wordt ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen.
Sms-berichten
Uit de voor het bewijs gebezigde sms-berichten komt naar voren dat de verdachte en J. in
de week voorafgaand aan de moord op Wiels berichten hebben uitgewisseld ten aanzien
van een werk dat J. voor de verdachte had. Uit deze berichten valt af te leiden dat de
verdachte hiervoor andere mensen (uniformen) had ingeschakeld. Dit komt overeen met de
verklaring van K.2
. Voorts blijkt uit de inhoud van deze sms-berichten dat de opdracht in
persoon bij J. thuis besproken moest worden. Het Gerecht leidt hieruit af dat het om een
heimelijke bespreking ging.
De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor deze berichten.
Integendeel, hij heeft ter terechtzitting op 19 april 2017 uitdrukkelijk ontkend ooit voor J.
2 Verklaring E.K. ( pagina’s V0012-V0026): Ik heb van P. vernomen dat N.F. de opdracht om Helmin Wiels te
vermoorden had gekregen. N. heeft op zijn beurt P. benaderd. P. moest op zijn beurt de soldaten inhuren om de
moord op Helmin Wiels uit te laten voeren.
gewerkt te hebben. De door de verdediging opgeworpen stelling dat het hier om werk voor
zijn broer zou gaan wijst het Gerecht, gelet op de inhoud van de teksten, als niet
geloofwaardig van de hand. Voorts wordt er hierbij op gewezen dat J. heeft verklaard geen
familieleden van de verdachte te kennen en dat er nooit een broer van verdachte voor hem
heeft gewerkt3
.
Medeplegen
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als
medeplegen kan worden aangemerkt, indien vast is komen te staan dat bij het begaan van
het feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien
het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering
tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met
medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van
inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht) kan sprake zijn van de voor
medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele
bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Het Gerecht stelt vast dat uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang
bezien, blijkt dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen
(onder meer) de verdachte, F., K. en M., gericht op het om het leven brengen van Helmin
Wiels. Uit deze bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte en F. hiertoe niet alleen
de opdracht hebben gegeven aan K. en M. maar ook betrokken zijn geweest bij de betaling
hiervoor. De materiële bijdrage van de verdachte aan het geheel, is naar het oordeel van
het Gerecht aanzienlijk en daarmee van voldoende gewicht geweest om te spreken van
medeplegen.
Voorbedachte raad
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat K. in opdracht van de verdachte en F., Helmin
Wiels van het leven heeft beroofd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn
geen aanwijzingen naar voren gekomen dat daarbij is gehandeld in een plotselinge
gemoedsopwelling. Integendeel: er is sprake geweest van een vooropgezet plan waarbij de
verdachte en zijn mededaders voldoende tijd hebben gehad om na te denken over de
betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad om Wiels van het leven te beroven.
Het bestanddeel “voorbedachte raad” in de tenlastelegging is hiermee bewezen verklaard.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
primair
medeplegen van moord.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is derhalve strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte
opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
3 Proces-verbaal van verhoor G.R.M.J. van 23 juli 2014 ( pagina V 0218).
7. Strafmotivering
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de
omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de
persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is
gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder
het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met F. aan K. de opdracht gegeven om tegen betaling van een
grote som geld Helmin Wiels om het leven te brengen. K. heeft deze opdracht aanvaard en
op 5 mei 2013 bij het strand van Marie Pampoen zijn vuurwapen leeggeschoten op Wiels,
die doorzeefd door kogels ter plaatse is overleden.
De verdachte heeft daarmee in de eerste plaats het slachtoffer Helmin Wiels beroofd van
zijn recht op leven. Het recht op leven behoort tot de meest fundamentele rechten die in
onze rechtsorde dienen te worden beschermd. Het handelen van de verdachte getuigt van
een volstrekte minachting van dit recht. De verdachte en zijn mededaders hebben door hun
handelen tevens groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de gezins- en familieleden
van het slachtoffer. Bovendien roept een dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar en
op klaarlichte dag gevoelens op van onveiligheid in de maatschappij.
Moord is een zo ernstig strafbaar feit en zo onaanvaardbaar dat daarop niet anders kan
worden gereageerd dan met de oplegging van een langdurige gevangenisstraf.
Het Gerecht merkt bij de straftoemeting als strafverzwarende omstandigheid aan dat het
hier gaat om een aanslag op een politicus. Helmin Wiels was ten tijde van deze aanslag
volksvertegenwoordiger en partijleider van Pueblo Soberano, de op dat moment grootste
politieke partij in Curaçao. Deze aanslag heeft niet alleen de rechtsorde maar ook de gehele
samenleving van Curaçao bijzonder ernstig geschokt. De moord op een partijleider en
volksvertegenwoordiger betekent hiernaast per definitie dat onherstelbare schade aan het
democratisch proces wordt toegebracht waardoor deze moord een politiek karakter heeft.
Bovendien komt door een dergelijke aanslag de mate waarin mensen in het algemeen, en
politici en bestuurders in het bijzonder, zich vrij voelen om hun mening te geven en
misstanden aan de kaak te stellen, onder druk te staan. Hierin zijn naar het oordeel van het
Gerecht redenen gelegen deze moord zwaarder te wegen dan een enkelvoudige moord die
dit politieke karakter niet heeft. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat niet kan worden
volstaan met een straf die doorgaans voor het medeplegen van een enkelvoudige moord
pleegt te worden opgelegd.
Het Gerecht acht, alles afwegende, geen andere straf passend en geboden dan een
vrijheidsbenemende straf van na te melden duur.
8. Opheffing schorsing voorlopige hechtenis
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de ook thans nog immer geschokte
rechtsorde, alsmede de op te leggen gevangenisstraf zal, met inachtneming van de
artikelen 113, 114 en 116 Sv, de op 8 augustus 2014 gegeven schorsing van het bevel
gevangenhouding van 15 oktober 2013 worden opgeheven.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:62, 1:123, 1:138 en 2:262 van het
Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
Het Gerecht:
verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde zoals in rubriek 4A
omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en
spreekt verdachte daarvan vrij;
verklaart dat het bewezenverklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte wegens dit deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van
25 (vijfentwintig) jaren;
bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de
opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis en verklaart deze beslissing direct
uitvoerbaar.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.T. Paulides en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van het Gerecht op 11 mei 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.
