Veroordeling voor schuld aan dodelijk ongeval in Rotterdam blijft in stand
Veroordeling voor schuld aan dodelijk ongeval in Rotterdam blijft in stand
De veroordeling van een verdachte voor het als professioneel vrachtwagenchauffeur veroorzaken van een ernstig verkeersongeval op 11 maart 2019 in Rotterdam blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. Bij het ongeval kwam een 21-jarige man om het leven.
De zaak
De verdachte was van beroep vrachtwagenchauffeur. Hij heeft op 11 maart 2019 in Rotterdam met de vrachtwagen die hij bestuurde, met een te hoge snelheid gereden op de afrit van de snelweg en is met die snelheid door een rood licht de kruising op gereden die zich aan het einde van die afrit bevond. Op de kruising heeft hij een auto aangereden die werd bestuurd door het slachtoffer dat als gevolg daarvan is overleden.
Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid heeft gereden. Het hof heeft onder meer overwogen dat van een vrachtwagenchauffeur, die al jarenlang lijdt aan diabetes en die al langere tijd last had van hypo’s, mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij opnieuw in een (ernstige) hypo belandt. Door dit na te laten en toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen, heeft verdachte volgens het hof aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge black-out in het verkeer aanvaard.
Het hof veroordeelde de verdachte voor dood door schuld en legde drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk op en een rijontzegging van drie jaar en negen maanden. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen (broer en ouders) tot vergoeding van schokschade toegewezen en de bijbehorende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Bij schokschade gaat het om psychisch letsel dat veroorzaakt wordt door de confrontatie met (de gevolgen van) het strafbaar feit waarbij een dierbare om het leven komt. Buiten de strafzaak om was door de aansprakelijkheidsverzekeraar al affectieschade toegekend aan de ouders. Affectieschade is schade die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste als gevolg van een strafbaar feit.
De verdachte heeft tegen de veroordeling beroep in cassatie ingesteld.
Cassatieklachten
De advocaat van de verdachte vroeg de Hoge Raad de veroordeling te vernietigen. In cassatie zijn verschillende klachten naar voren gebracht over de bewezenverklaring en over de toewijzing van de schokschade.
Advies AG
De AG adviseerde de Hoge Raad op 9 juni 2026.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad is van oordeel dat de cassatieklacht gericht tegen de bewezenverklaarde ‘schuld’ als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 niet slaagt. Gelet op het bestaande beoordelingskader is het oordeel van het hof juridisch correct en toereikend gemotiveerd.
De klacht over de toewijzing door het hof van de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de schokschade slaagt gedeeltelijk. De toewijzing door het hof van de vordering van de broer is gelet op het bestaande beoordelingskader juridisch correct en ook toereikend gemotiveerd. Maar de toewijzing van de schokschade aan de ouders is door het hof niet voldoende gemotiveerd. Door de verdediging is aangevoerd dat onduidelijk is hoe de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Verder is betwist dat sprake is geweest van een onverhoedse confrontatie, terwijl het hof over die confrontatie geen vaststellingen heeft gedaan. Het hof heeft er ook niet kenbaar rekening mee gehouden dat aan de ouders al affectieschade was toegekend.
De Hoge Raad merkt in zijn uitspraak op dat als de benadeelde partij die aanspraak maakt op vergoeding van schokschade niet direct ter plaatse is geconfronteerd met de gebeurtenis en haar gevolgen, de vraag of de vergoeding van schokschade (deels) samenvalt met de vergoeding van affectieschade, aandacht verdient in de motivering door de rechter.
De uitspraak van de Hoge Raad brengt met zich dat de veroordeling, de opgelegde straf en de toewijzing van de schadevergoedingsvordering aan de broer en de bijbehorende schadevergoedingsmaatregelen in stand blijven. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof om alleen opnieuw over de vorderingen van de ouders als benadeelde partij (en de daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregelen) te beslissen.
