Uitspraak Hoge Raad n.a.v. prejudiciële vragen over rechtsmacht Nederland bij verdenking van valsheid in geschrift in buitenland
Uitspraak Hoge Raad n.a.v. prejudiciële vragen over rechtsmacht Nederland bij verdenking van valsheid in geschrift in buitenland
De Hoge Raad heeft vandaag prejudiciële vragen beantwoord die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gesteld over de rechtsmacht van Nederland in het geval waarin het gaat om het in het buitenland valselijk opmaken of vervalsen van een IND-formulier bedoeld voor een nareisprocedure.
De zaak
De verdachte, die de Syrische nationaliteit heeft, is door het Openbaar Ministerie voor de rechter gebracht voor valsheid in geschrift. Hem wordt verweten dat hij in 2021 in Istanboel een ‘formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat’ van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft vervalst. In strijd met de waarheid vermeldde hij dat hij niet gehuwd is (geweest) en niet de zorg heeft over kinderen. Dit formulier was bestemd voor een nareisprocedure strekkende tot gezinshereniging. Tijdens zijn politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat het betreffende formulier niet de waarheid bevatte, dat hij heeft gelogen en dat hij als hij de waarheid had verteld niet naar Nederland zou mogen komen.
De rechtbank veroordeelde de verdachte voor valsheid in geschrift en legde hem een gevangenisstraf van twee maanden op. Tegen deze uitspraak stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak op de zitting ambtshalve de vraag opgeworpen of Nederland rechtsmacht heeft en heeft in dat kader prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.
Als een strafbaar feit is begaan, mag Nederland daartegen alleen strafrechtelijk optreden als Nederland rechtsmacht heeft over dit feit. Het uitgangspunt is dat de strafwet van toepassing is op ieder die zich in Nederland aan een strafbaar feit schuldig maakt (artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr). In artikel 4 Sr is geregeld dat Nederland ook rechtsmacht heeft over bepaalde feiten die buiten het grondgebied van Nederland zijn begaan, waaronder over valsheid in geschrift die in het buitenland is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling. In deze zaak speelt de vraag of Nederland rechtsmacht heeft op grond van deze bepaling.
Over de voorliggende kwestie is in twee eerdere zaken door rechters in een vergelijkbare situatie geoordeeld dat Nederland geen rechtsmacht heeft. Het OM werd in die zaken niet-ontvankelijk verklaard. Er werd in deze zaken geen cassatieberoep ingesteld. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wil met de prejudiciële vragen in het belang van de rechtszekerheid en rechtseenheid dat de Hoge Raad duidelijkheid geeft of Nederland in dit soort zaken rechtsmacht heeft.
Prejudiciële vragen
Sinds 1 oktober 2022 bestaat voor rechters in rechtbanken en gerechtshoven de mogelijkheid om prejudiciële vragen aan de strafkamer van de Hoge Raad te stellen. Voorwaarden zijn onder andere dat het antwoord van de Hoge Raad nodig is voor het nemen van een beslissing in die zaak. Bovendien moet met de vraag een zaaksoverstijgend belang gemoeid zijn, bijvoorbeeld omdat een antwoord op de vraag ook van belang is voor andere rechtszaken.
Conclusie advocaat-generaal (AG)
De AG heeft zich in haar conclusie van 16 juni 2026(verwijst naar een andere website) op het standpunt gesteld dat Nederland op grond van artikel 4 aanhef en onder d, Sr geen rechtsmacht heeft over het in deze zaak tenlastegelegde valselijk invullen van een IND-formulier in het buitenland.
Oordeel Hoge Raad
Ook de Hoge Raad is van oordeel dat Nederland op grond van artikel 4 aanhef en onder d, Sr geen rechtsmacht heeft over het in deze zaak tenlastegelegde valselijk invullen van een IND-formulier in het buitenland. Uit de wetsgeschiedenis kan namelijk worden afgeleid dat deze bepaling slechts betrekking heeft op specifieke tegen de Nederlandse overheid gepleegde valsheidsdelicten. Het moet, voor zover in die bepaling wordt verwezen naar artikel 225 lid 1, gaan om valsheid van specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen. Een geval als dit waarin een IND-formulier valselijk is opgemaakt of vervalst valt daar volgens de Hoge Raad niet onder.
De Hoge Raad merkt in zijn uitspraak op dat dit alleen ziet op de beantwoording van de vraag of de Nederlandse strafwet op grond van artikel 4, aanhef en onder d, Sr van toepassing is als de verdachte voor de rechter is gebracht voor valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 Sr). Of de Nederlandse strafwet van toepassing is op een ander strafbaar feit dat in relatie tot zo’n geschrift is begaan, zoals het gebruik van het valse of vervalste geschrift (artikel 225 lid 2 Sr) hangt volgens de Hoge Raad af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat als plaats waar misdrijf van artikel 225 lid 2 Sr is begaan ook moet worden aangemerkt de plaats waar het geschrift is ingeleverd of waarnaar het is toegezonden. Als die plaats in Nederland ligt, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr.

