Europees Hof bevestigt rechtmatigheid vreemdelingendetentie, maar veroordeelt uitvoering in 2019; schadevergoedingen slechts deels toegekend
Justitie
Europees Hof bevestigt rechtmatigheid vreemdelingendetentie, maar veroordeelt uitvoering in 2019; schadevergoedingen slechts deels toegekend
Geplaatst op 23 04 2026
– Curaçao zet hervormingen voort
Willemstad – Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn uitspraak van 21 april 2026 (zaaknr. 001-249693) geoordeeld dat vreemdelingendetentie in Curaçao als zodanig rechtmatig is, maar dat de uitvoering in 2019 op onderdelen in strijd was met mensenrechten. Het Hof kende slechts gedeeltelijk de door verzoekers gevraagde schadevergoeding toe en wees een deel van de vorderingen af. Tegelijkertijd bevestigt het Hof dat Curaçao in het verleden tekort is geschoten in de waarborgen rond menswaardigheid, rechtsbescherming en behandeling van gedetineerden. Het Hof maakt in de uitspraak een duidelijk onderscheid tussen de juridische basis van detentie en de wijze waarop deze in de praktijk is uitgevoerd.
Er is geen sprake van een zelfstandige schending van artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid), omdat de detentie gebaseerd was op een wettelijke grondslag en onderdeel vormt van het toegestane migratiebeleid. Wel stelt het Hof vast dat Curaçao artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke of vernederende behandeling) en artikel 13 EVRM (recht op een effectief rechtsmiddel) heeft geschonden. Deze schendingen zien op de omstandigheden van detentie en de beperkte mogelijkheid voor betrokkenen om hun situatie juridisch effectief aan te vechten. De verzoekers vroegen elk €5.000 schadevergoeding, zonder onderscheid te maken tussen materiële en immateriële schade.
Het Hof wees een deel van deze vorderingen af en kende geen materiële schadevergoeding toe. Voor immateriële schade werd slechts gedeeltelijk vergoeding toegekend: vier verzoekers ontvangen €5.000 per persoon wegens meerdere vastgestelde schendingen, terwijl drie verzoekers €1.625 per persoon ontvangen vanwege een beperkte schending van artikel 5 paragraaf 4 EVRM. De kern van de uitspraak is dat niet het bestaan van het vreemdelingenbeleid zelf ter discussie staat, maar de kwaliteit van de uitvoering en de waarborgen voor menselijke waardigheid en rechtsbescherming. Curaçao benadrukt dat reeds sinds 2019 actief wordt gewerkt aan het verbeteren van deze uitvoering. In dat jaar is het programma Optimalisering Vreemdelingenketen gestart, gericht op structurele versterking van beleid, uitvoering en samenwerking binnen de keten, mede in reactie op de toegenomen migratiedruk in de regio. Binnen dit programma zijn in de periode 2019–2025 concrete stappen gezet om de door het Hof benoemde aandachtspunten aan te pakken. Zo is geïnvesteerd in een nieuw gebouw, training van medewerkers op het gebied van mensenrechten en de toepassing van artikel 3 EVRM, is via het hostmanship-programma ingezet op een respectvolle en mensgerichte benadering, en zijn processen binnen de vreemdelingenketen in kaart gebracht en verbeterd.
Daarnaast is gewerkt aan versterking van rechtsbescherming door verbetering van procedures, inzet van juridische expertise en het toegankelijker maken van informatie voor betrokkenen, onder meer door digitalisering en vertaling van documenten. Deze verbeteringen zijn doorgevoerd onder complexe omstandigheden, waaronder de COVID-19-pandemie en aanhoudende migratiedruk vanuit de regio. Desondanks is consistent gewerkt aan structurele aanpassingen die aansluiten bij internationale normen. Curacao ziet de uitspraak als een bevestiging dat de ingezette koers gericht op een rechtmatig en humaan vreemdelingbeleid de juiste is. Curaçao zal deze koers voortzetten en waar nodig verder versterken, met als uitgangspunt dat detentie alleen plaatsvindt binnen een systeem dat voldoet aan de eisen van menselijke waardigheid, zorgvuldigheid en effectieve rechtsbescherming.


