Advies AG aan Hoge Raad: geen herziening in zaak Thijs H.
Advies AG aan Hoge Raad: geen herziening in zaak Thijs H.
De herzieningsaanvraag in de zaak van Thijs H. (hierna ook: de aanvrager van de herziening), die sinds 2023 voor drie moorden onherroepelijk is veroordeeld, moet worden afgewezen. Dat adviseert advocaat-generaal (AG) Frielink de Hoge Raad in zijn conclusie van vandaag.
Herziening in het voordeel van de onherroepelijk veroordeelde is alleen mogelijk als in zijn strafzaak een nieuw gegeven, een zogenoemd novum, bekend wordt dat de rechter niet eerder kende én dat het ernstige vermoeden wekt dat de rechter destijds tot een andere uitspraak zou zijn gekomen, namelijk geen veroordeling maar een vrijspraak of in dit geval een ontslag van alle rechtsvervolging. Volgens de AG is in deze herzieningsaanvraag van zo’n novum geen sprake.
De zaak
Strafrechtelijke procedure
Thijs H. is bij uitspraak van 17 maart 2022 door het gerechtshof Den Bosch veroordeeld tot 22 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor drie moorden in mei 2019: één in de Scheveningse Bosjes in Den Haag en twee op de Brunssummerheide in Zuid-Limburg. In de strafrechtelijke procedure is niet bestreden dat hij de drie slachtoffers heeft gedood. Wel is er onder meer verweer gevoerd over de vraag of hij ten tijde van de feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en over de mate van zijn toerekeningsvatbaarheid. Thijs H. verkeerde naar eigen zeggen in een psychose; hij zou de opdracht tot het doden van ‘het systeem’ hebben gekregen.
In de strafrechtelijke procedure zijn in totaal drie rapportages opgesteld over de geestelijke gezondheid van Thijs H. ten tijde van het plegen van de feiten. De rechtbank Limburg had de beschikking over één deskundigenrapport, opgesteld door het Pieter Baan Centrum (PBC). De rapporteurs spraken over een ernstige psychotische ontregeling en adviseerden Thijs H. ‘volledig ontoerekeningsvatbaar’ te verklaren. De rechtbank nam dat advies niet over en lichtte uitvoerig toe waarom zij Thijs H. verminderd toerekeningsvatbaar vond. In hoger beroep beschikte het hof Den Bosch naast het rapport van het PBC over twee extra rapportages. De eerste van die twee, opgesteld op verzoek van de verdediging, kwam inhoudelijk sterk overeen met de PBC-rapportage en leidde opnieuw tot het advies Thijs H. de feiten ‘niet toe te rekenen’. Het tweede nieuwe rapport (en het derde in de reeks), opgesteld op verzoek van het hof, bevatte geen advies over de toerekeningsvatbaarheid van Thijs H. omdat de deskundigen onvoldoende zicht hadden gekregen op zijn psychische belevingswereld.
Evenals de rechtbank kwam het hof tot de conclusie dat de gewelddadige gedragingen van Thijs H. verband hielden met een stoornis en dat deze strafbare feiten hem in verminderde mate konden worden toegerekend. Het hof is dus voorbijgegaan aan de – op dat moment in twee rapportages besloten liggende – adviezen om Thijs H. volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
De veroordeling van het hof werd op 17 oktober 2023 definitief nadat de Hoge Raad de cassatieklachten van Thijs H. ongegrond verklaarde. De Hoge Raad oordeelde dat de feitenrechter niet gebonden is aan de in deskundigenrapportages opgenomen adviezen over de psychische stoornis en de mate van toerekeningsvatbaarheid. In verband met de duur van de procedure werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot 21 jaar en tien maanden. De opgelegde tbs-maatregel bleef ongewijzigd in stand.
Tuchtrechtelijke procedure
Na het definitief worden van de uitspraak in de strafrechtelijke procedure is namens Thijs H. een tuchtrechtelijke klacht ingediend tegen de rapporteurs van het derde, op verzoek van het hof, opgestelde rapport. Uiteindelijk oordeelde het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) de klacht deels gegrond en concludeerde dat in het betreffende rapport ‘op onvoldoende inzichtelijke en consistente wijze is uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen’ en ‘het rapport daarmee niet voldoet aan de eisen die het Centraal Tuchtcollege aan een rapportage stelt’. De rapporteurs werden daarvoor berispt.
Deze beslissing was voor de aanvrager de aanleiding om een herzieningsaanvraag in te dienen.
Inhoud herzieningsaanvraag en bevindingen AG
In maart 2026 is deze herzieningsaanvraag ingediend bij de Hoge Raad. In de aanvraag wordt herziening gevraagd van de veroordeling van het hof van 17 maart 2022. De aanvraag is gebaseerd op drie herzieningsgronden.
Eerste grond: de uitspraak van het CTG in de tuchtrechtelijke procedure
De eerste grond betreft het gegeven dat het derde rapport, dat volgens de aanvrager mede ten grondslag lag aan de veroordeling, – in de woorden van de aanvrager – door het CTG ‘kwalitatief als onvoldoende’ is beoordeeld.
Volgens de AG kan de uitspraak van het CTG worden aangemerkt als een nieuw gegeven. Het is een oordeel van een gezaghebbende autoriteit over bepaalde aspecten van het derde rapport en dat oordeel is uitgesproken na het onherroepelijk worden van het arrest van het hof. De vervolgvraag is of dit nieuwe gegeven het ernstige vermoeden wekt dat de rechter, als hij hiervan op de hoogte was geweest, de verdachte zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat is volgens de AG niet het geval. De AG is van oordeel dat uit het resultaat van de tuchtrechtelijke procedure niet de conclusie kan worden getrokken dat de enig juiste vaststelling van de stoornis en mate van toerekeningsvatbaarheid ligt besloten in de eerste twee rapporten. Het derde rapport is door de beslissing van het CTG bovendien niet in zijn geheel gediskwalificeerd. En ook als dat wel het geval zou zijn geweest, dan nog is er geen ernstig vermoeden dat het hof op basis van de uitgebrachte rapportages en de daarin opgenomen eigen verklaringen van de verdachte tot een ander oordeel over de toerekeningsvatbaarheid zou zijn gekomen.
Tweede grond: een nieuw deskundigenrapport
De tweede grond betreft een nieuw deskundigenrapport. Na de uitspraak van het CTG is door een psychiater een nieuw deskundigenrapport opgesteld. Dit rapport heeft dezelfde strekking als de eerste twee rapporten namelijk dat Thijs H. ten tijde van het plegen van de feiten ‘volledig ontoerekeningsvatbaar’ was.
Volgens de AG levert niet elk nieuw advies van een deskundige een novum op. De enkele omstandigheid dat een deskundige het voorhanden zijnde (bewijs)materiaal anders waardeert dan de rechter, is daarvoor niet voldoende. De bevindingen en de conclusies in de nieuwe rapportage komen in de kern overeen met de inhoud van de eerste twee rapporten. Met die inhoud was het hof bekend. In zoverre is de essentie van het rapport niet nieuw en daarom kan het volgens de AG niet gelden als een novum.
Derde grond: de ‘niet gelakte’ afsluitbrief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
De derde grond betreft een recent beschikbaar gekomen niet gecensureerde afsluitbrief van de IGJ aan de GGZ-instelling Mondriaan. Deze afsluitbrief heeft betrekking op de rapportage van een onderzoek dat de IGJ heeft ingesteld naar aanleiding van een melding dat Thijs H. zich in mei 2019 had onttrokken aan de verpleging door sabotage van een rookmelder. Enkele vaststellingen uit dit onderzoek zouden volgens de aanvrager van de herziening in de strafzaak ‘naar alle waarschijnlijkheid’ hebben geleid tot nader onderzoek naar de gang van zaken in de GGZ-instelling, waar de psychotische verschijnselen van Thijs H. en de aanpak daarvan zouden zijn onderschat.
Volgens de AG blijkt uit de aanvraag tot herziening onvoldoende waarom de inhoud van de brief van de IGJ tot herziening zou moeten leiden. Dat de afsluitbrief volgens de aanvrager veel onbeantwoorde vragen oplevert die nader onderzocht hadden moeten worden en dat een en ander ‘van waarde is in verband met de vraag of en in welke mate de door Mondriaan voorgeschreven medicatie een ‘trigger’ kan zijn geweest voor de psychose’ ten tijde van het plegen van de feiten, is volgens de AG onvoldoende om te stellen dat er sprake is van een novum.
Slotsom
Dit alles leidt volgens de AG tot de conclusie dat de door de verdediging gepresenteerde gronden niet als nova kunnen worden aangemerkt. De AG adviseert de Hoge Raad dan ook de herzieningsaanvraag af te wijzen.
Uitspraak Hoge Raad
De uitspraak van de Hoge Raad is (voorlopig) bepaald op 15 december 2026.
Een conclusie bevat een onafhankelijke analyse van en oordeel over een zaak waarover de Hoge Raad moet beslissen. Daarbij gaat het om voorlichting en advisering van de Hoge Raad. In een conclusie wordt een zaak vaak uitvoeriger en vanuit een breder perspectief besproken dan in de uitspraak van de Hoge Raad. Daarmee dient de conclusie niet alleen de kwaliteit van de rechtspraak in de concrete zaak, maar ook de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Een conclusie wordt meestal genomen door een van de advocaten-generaal in het parket, namens de procureur-generaal. De advocaten-generaal zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun conclusies.
Publicatie op rechtspraak.nl

