PG bij de Hoge Raad: geen aanknopingspunten voor een opsporingsonderzoek tegen (voormalig) bewindspersonen wegens gestelde medeplichtigheid aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht door Israël
PG bij de Hoge Raad: geen aanknopingspunten voor een opsporingsonderzoek tegen (voormalig) bewindspersonen wegens gestelde medeplichtigheid aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht door Israël
De procureur-generaal (PG) bij de Hoge Raad, Edwin Bleichrodt, heeft minister Van den Brink (*1), in zijn hoedanigheid van minister van Justitie en Veiligheid ad interim, geïnformeerd dat hij geen aanknopingspunten ziet voor een opsporingsonderzoek tegen (voormalige) Nederlandse bewindspersonen wegens medeplichtigheid aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht door Israël. Dat is de uitkomst van een door de PG uitgevoerd oriënterend onderzoek naar aanleiding van in totaal zeventien aangiften. Het onderzoek zag op medeplichtigheid door het toestaan van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen en/of andere militaire goederen vanuit Nederland naar Israël in de periode 7 oktober 2023 tot 1 januari 2026.
Het is nu aan de regering om op basis van de bevindingen te bepalen of een opsporingsonderzoek al dan niet aangewezen is. De beslissing van de regering wordt gepubliceerd op http://www.rijksoverheid.nl.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad is een onafhankelijk en zelfstandig instituut binnen de rechterlijke organisatie dat los staat van het rechtscollege de Hoge Raad. Er is geen gezagsverhouding tussen de procureur-generaal en de Hoge Raad. De procureur-generaal geeft leiding aan het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad behoort niet tot het Openbaar Ministerie en is onafhankelijk ten opzichte van de Minister van Justitie en Veiligheid en de rest van de regering. De procureur-generaal heeft een aantal bijzondere taken waaronder de strafrechtelijke vervolging van bewindspersonen en Kamerleden wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen.
De aangiften
In de aangiften werd (onder meer) gesteld dat sprake zou zijn van medeplichtigheid aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht door het toestaan van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen en andere militaire goederen vanuit Nederland naar Israël. Daarmee zouden de bewindspersonen zich volgens de aangevers schuldig hebben gemaakt aan feiten die in de Wet internationale misdrijven strafbaar zijn gesteld.
Oriënterend onderzoek
Naar aanleiding van de aangiften heeft de PG een oriënterend onderzoek verricht, gericht op de vraag of er voldoende aanknopingspunten zijn voor een opsporingsonderzoek. Onderzocht is of er aanknopingspunten zijn voor een redelijk vermoeden (een verdenking) dat de (voormalige) bewindspersonen medeplichtig zijn aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht onder de Wet internationale misdrijven door het toestaan van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen en/of andere militaire goederen vanuit Nederland naar Israël. In het onderzoek wordt geen antwoord gegeven op de vraag of de bedoelde goederen zijn gebruikt bij het plegen van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht. Ook wordt geen oordeel gegeven over politieke en andere beleidsmatige afwegingen die de betrokken bewindslieden hebben gemaakt ten aanzien van het gewapende conflict in Gaza. Het is in beginsel niet aan de PG bij de Hoge Raad dergelijke afwegingen te toetsen.
Bevindingen
Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens medeplichtigheid bestaat geen grond als het handelen of nalaten niet wederrechtelijk is. Uit rechtspraak, onder meer van het Internationaal Gerechtshof, volgt dat de uit- en/of doorvoer van militaire goederen naar Israël na 7 oktober 2023 niet zonder meer in strijd is met het internationale recht en dat daarmee niet zonder meer sprake is van wederrechtelijke gedragingen door een of meer ministers tegen wie aangifte is gedaan.
De PG heeft in het oriënterend onderzoek verder onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een verdenking dat bij de ministers sprake was van het voor medeplichtigheid aan ernstige schendingen van internationaal humanitair recht vereiste opzet. Daarbij heeft hij onderscheid gemaakt tussen twee periodes: (i) de periode van 7 oktober 2023 tot 20 februari 2024 (de datum waarop de na de uitspraak van het gerechtshof Den Haag gewijzigde vergunningen in werking traden en de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen in elk geval is gestopt) en (ii) de periode van 20 februari 2024 tot en met 1 januari 2026.
De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of het Nederlandse recht dan wel het internationale recht leidend is voor de invulling van het opzetvereiste. De wetsgeschiedenis biedt steun voor het standpunt dat het internationale recht leidend moet zijn maar in de rechtspraak van rechtbanken en gerechtshoven wordt meestal het Nederlandse recht toegepast. Daarom heeft de PG in zijn oriënterend onderzoek beide benaderingen gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een redelijk vermoeden dat de ministers opzet hadden op het deelnemen (in de zin van medeplichtigheid) en op het grondfeit (het plegen van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht, gesteld dat deze zijn gepleegd). Anders dan volgens het Nederlandse recht, kan volgens het internationaal recht niet worden volstaan met zogenaamd ‘voorwaardelijk opzet’ (het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op het deelnemen en het grondfeit). Volgens het internationaal recht moeten de deelnemingshandelingen zijn verricht met het doel het grondfeit te vergemakkelijken en moet de betrokkene zich er ten minste van bewust zijn geweest dat het grondfeit zich bij een normale gang van zaken (ook wel: vrijwel zeker) zou voordoen.
Vanuit beide benaderingen is uit het onderzoek van de PG niet gebleken van aanknopingspunten om een redelijk vermoeden aan te nemen. Deze conclusie is gebaseerd op het volgende.
(i) F-35-onderdelen
De verantwoordelijk ministers en – meer in het algemeen – het kabinet hebben de uit- en/of doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël consequent gebaseerd op het recht op zelfverdediging van Israël. De uit- en/of doorvoer van F-35-onderdelen was niet gericht op het door Israël begaan van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht. Daarbij is van belang dat het uit- en/of doorvoeren van militaire goederen aan staten die zijn betrokken in gewapende conflicten op zichzelf niet in strijd met het internationaal of nationaal recht hoeft te zijn en dat Nederland is gebonden aan het Wapenhandelsverdrag en het EUGS 2008/944/GBVB. Verder zijn er omstandigheden die erop wijzen dat de ministers (het faciliteren of bevorderen van) ernstige schendingen van internationaal humanitair niet hebben gewild en ook niet de aanmerkelijke kans daarop bewust hebben aanvaard. Zo hebben de minister-president en de verantwoordelijk ministers Israël steevast opgeroepen om zich te houden aan het internationaal (humanitair oorlogs-)recht, hebben zowel individuele bewindspersonen als het kabinet Israël in de diplomatieke contacten aangesproken over de naleving van dit recht en zijn er aanvullende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat Nederland zijn internationaalrechtelijke verplichtingen nakomt. Die maatregelen bestonden in het bijzonder uit het vrijmaken van geld voor het verrichten van onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van internationaal humanitair recht, zodat kan worden vastgesteld of schendingen van internationaal humanitair oorlogsrecht hebben plaatsgevonden en, indien nodig, aansprakelijkheid door de internationale rechter nadien kan worden vastgesteld.
(ii) (Andere) militaire goederen
Ten aanzien van de periode vanaf 20 februari 2024 is niet gebleken van aanwijzingen dat vanuit Nederland militaire goederen zijn uit- of doorgevoerd naar Israël die konden worden gebruikt bij het plegen van oorlogsmisdrijven of andere schendingen van internationaal humanitair recht. De goederen die na 20 februari 2024 op basis van de verleende vergunningen konden worden uit- of doorgevoerd naar Israël waren defensief van aard (onderdelen van het Iron Dome-systeem) of het waren goederen waarvan Israël niet de eindgebruiker was.
Slotsom
Dit alles leidt tot de slotsom dat uit het oriënterend onderzoek geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die leiden tot een verdenking van een ambtsdelict gepleegd door een of meer (voormalige) bewindspersonen. Het onderzoek heeft dan ook geen aanknopingspunten opgeleverd voor een opsporingsonderzoek.
Algemene informatie over de procedure
In artikel 119 van de Grondwet is bepaald dat (voormalig) leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen voor door hen begane ambtsmisdrijven worden berecht door de Hoge Raad. De PG bij de Hoge Raad is belast met de strafrechtelijke vervolging van dergelijke ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen.
Hij kan echter niet naar eigen inzicht tot strafvervolging overgaan. Hij dient daartoe eerst opdracht te krijgen ofwel bij Koninklijk Besluit door de regering ofwel door een besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
In 2017 is een Protocol (voor de link, zie hierna) vastgesteld waarin is omschreven op welke wijze wordt omgegaan met aangiften betreffende ambtsdelicten van bewindspersonen of Kamerleden die binnenkomen bij een ministerie, het Openbaar Ministerie of bij de PG bij de Hoge Raad.
Indien er sprake is van een aangifte in de zin van het Protocol, start de PG bij de Hoge Raad een oriënterend onderzoek gericht op de vraag of er aanknopingspunten zijn voor een opsporingsonderzoek. Na afloop van het oriënterend onderzoek informeert de PG bij de Hoge Raad de minister over zijn bevindingen.
Publicaties
Oriënterend onderzoek (pdf, 1.4 MB)
Bijlage bij oriënterend onderzoek (pdf, 737 kB)
Protocol(verwijst naar een andere website) inzake de behandeling van aangiften bij een ministerie, het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad tegen leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen
(*1) Volgens de vervangingsregeling is Van den Brink de vervanger van de minister van Justitie en Veiligheid. Een van de aangiften was gericht tegen minister Van Weel (in zijn voormalige hoedanigheid van minister van Buitenlandse Zaken). In de toelichting op het protocol staat dat de PG de minister van Justitie en Veiligheid ad interim informeert in het geval een aangifte betrekking heeft op de minister van Justitie en Veiligheid.
