OM SEPONEERT AANGIFTE TEGEN DHR. KOEIMAN
OM seponeert aangifte tegen dhr. Koeiman
Het Openbaar Ministerie (OM) is tot een beslissing gekomen in het onderzoek dat is ingesteld
naar een eventuele schending van een ambtsgeheim. Dit onderzoek is ingesteld naar
aanleiding van een tweetal aangiften door dhr. Amerigó Thodé. Hier volgt een korte
toelichting op de aanleiding, het onderzoek en de beslissing.
Op 4 september 2014 vond een besloten commissievergadering plaats van de leden van de
vaste commissie van Financiën van de Staten en de leden van de Commissie Financieel
Toezicht. Delen van die vergadering werden in het geheim opgenomen en uitgezonden op de
radio. Statenvoorzitter dhr. Mike Franco deed daarvan aangifte op 15 september 2014,
waarna de Landsrecherche Curaçao in opdracht van de Procureur-Generaal een
strafrechtelijk onderzoek is gestart. Naar aanleiding van dit onderzoek is aangever vervolgd
en op 8 januari 2016 in eerste aanleg veroordeeld.
Door de aangever is vervolgens op 28 januari 2016 en 18 maart 2016 aangifte gedaan tegen
een groot aantal personen en instellingen die zich volgens aangever eveneens schuldig
zouden hebben gemaakt aan het schenden van het ambtsgeheim.
Deze aangiften zijn bestudeerd en beoordeeld door het Openbaar Ministerie. Het gaat om
aangiften tegen 20 personen en organisaties, waaronder 18 natuurlijke personen, één
vereniging en één politieke partij, voor schendingen van het ambtsgeheim gepleegd in 2013,
2014, 2015 en 2016.
In algemene zin is de conclusie van het Openbaar Ministerie dat bij de bestudering van de
aangiften, in 19 van de 20 gevallen bleek dat geen verdenking van een strafbaar feit aanwezig
was en dus geen verder onderzoek noodzakelijk was. Het gaat onder andere om uitlatingen
naar aanleiding van een werkbezoek, reacties op een persbericht of openbare rapportage, het
verkondigen van een politieke mening en in enkele gevallen om personen of instanties die
niet gebonden zijn aan een ambtsgeheim.
Met betrekking tot de aangifte tegen één Statenlid, te weten dhr. Hensley Koeiman, bleek het
noodzakelijk nader onderzoek te doen verrichten door de Landsrecherche Curaçao. Dit ziet
op één kranteninterview en één radio-interview die dhr. Koeiman zou hebben gegeven op 5
september 2014.
Het radio-interview bleek 18 maanden na dato niet voor het onderzoek beschikbaar of
anderszins opvraagbaar. Het kranteninterview bleek nog wel beschikbaar, maar de exacte
uitlatingen van Koeiman daarin zijn niet komen vast te staan. Bovendien is uit het onderzoek
niet gebleken dat dhr. Koeiman wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hetgeen hij
vermoedelijk zou hebben gezegd een ambtsgeheim betrof en dat zijn opzet daarop was
gericht. Het onderzoek heeft derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opgeleverd
voor een strafrechtelijke vervolging en de zaak is daarom geseponeerd.
Door de aangever is in zijn aangiftes nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Het
Openbaar Ministerie heeft in de beoordeling echter geconstateerd dat er in beide zaken
weliswaar een aantal overeenkomsten zijn, maar dat er vooral grote verschillen bestaan. Bij
dhr. Koeiman zijn er bijvoorbeeld geen aanwijzingen dat hij bij het opnemen van de
vergadering betrokken is, betreft het één kranteninterview, stelt hij gemotiveerd dat hij niet
wist dat hij wellicht geheime informatie prijsgaf en vindt hij dat geheime informatie niet
openbaar gemaakt mag worden. Bij de zaak dhr. Thodé daarentegen was er geen twijfel over
de bewijsbaarheid van het strafbare feit; het was een geheim, dat wist hij ook en de schending
was opzettelijk een meermalen gepleegd. Tenslotte heeft dhr. Koeiman in tegenstelling tot
dhr. Thodé volledig meegewerkt aan het onderzoek.
Het Openbaar Ministerie heeft de rechtstreeks betrokkenen in kennis gesteld van haar
beslissing om de zaak te seponeren op grond van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Willemstad, 7 november 2016

