Veroordeling voor onder meer doodschieten man tijdens vrijgezellenfeest in Groningen blijft in stand; hof heeft terecht vergoeding van affectieschade toegekend aan de stiefzoon van het slachtoffer
Veroordeling voor onder meer doodschieten man tijdens vrijgezellenfeest in Groningen blijft in stand; hof heeft terecht vergoeding van affectieschade toegekend aan de stiefzoon van het slachtoffer
De veroordeling van een verdachte voor onder meer het doodschieten van een man tijdens een vrijgezellenfeest in Groningen op 9 juli 2022 blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De zaak
Op 9 juli 2022 was een groep mannen vanuit Friesland naar de stad Groningen gekomen ter gelegenheid van een vrijgezellenfeest. Op enig moment hebben (enkele) leden van de vrijgezellengroep een aanvaring gekregen met de verdachte. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte daarna in het bezit van een vuurwapen de confrontatie met leden van de vrijgezellengroep is aangegaan. De verdachte heeft uiteindelijk met het vuurwapen vijf keer geschoten in de richting van leden van de vrijgezellengroep. Eén van de leden van die groep is daarbij geraakt en als gevolg van het schot komen te overlijden. Twee andere leden van de groep zijn gewond geraakt aan hun armen.
Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde op 5 juni 2025 de verdachte voor doodslag en twee pogingen daartoe tot een gevangenisstraf van vijftien jaar en heeft in verband met de vorderingen van een aantal benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de verdachte.
De verdachte stelde tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Cassatieklachten
De advocaat van de verdachte vroeg de Hoge Raad de veroordeling te vernietigen. In cassatie zijn verschillende klachten naar voren gebracht. Er is onder meer geklaagd over de bewezenverklaring van één van de pogingen doodslag en de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Ook is geklaagd over de gedeeltelijke toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van affectieschade van een van de benadeelde partijen (hierna: de stiefzoon). Deze cassatieklacht ging in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de stiefzoon kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van de wet.
Advies advocaat-generaal (AG)
De AG was van opvatting dat de cassatieklachten niet slagen en adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen en daarmee de veroordeling, de opgelegde straf en de beslissingen over de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen in stand te laten.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad is van oordeel dat de cassatieklachten over de bewezenverklaring van één van de pogingen doodslag en de verwerping door het hof van het beroep op noodweer niet slagen en heeft deze klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat ze niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof kunnen leiden en geen juridische belangrijke nieuwe vragen oproepen die moeten worden beantwoord.
Naar aanleiding van de klacht over de gedeeltelijke toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van affectieschade van de stiefzoon van het slachtoffer, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen.
De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade is beperkt tot ‘naasten’, personen die een zeer nauwe band met het slachtoffer hebben.
Tot de genoemde kring van personen behoort volgens de wet ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat redelijk en billijk is dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet als zodanig in de wet is genoemd. Om op grond van deze – als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Daarbij wordt gekeken naar de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
De schriftelijke onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding in deze zaak houdt het volgende in. De stiefzoon heeft in 2015 kennisgemaakt met het slachtoffer en vervolgens kwam het slachtoffer in het weekend logeren bij de stiefzoon en zijn moeder. Later is het slachtoffer bij hen komen wonen. De stiefzoon, van wie de biologische vader al lange tijd niet meer in beeld was, zag het slachtoffer als zijn vader. Het slachtoffer was er altijd voor hem en was zijn steun en toeverlaat. Zo heeft het slachtoffer hem geholpen tijdens een moeilijke periode in zijn leven. Door het slachtoffer is hij weer op het rechte pad gekomen. Nadat de stiefzoon een lange tijd had samengewoond met zijn moeder en het slachtoffer, is hij twee maanden voor de fatale schietpartij op zichzelf gaan wonen. Het slachtoffer heeft een grote rol gespeeld bij het zoeken naar een woning door de stiefzoon. Nadat hij op zichzelf was gaan wonen, had de stiefzoon veel appcontact met het slachtoffer en ging hij in het weekend op bezoek bij zijn moeder en het slachtoffer.
Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de stiefzoon zo uitzonderlijk zijn dat hij zich kan beroepen op de hardheidsclausule. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad juridisch juist en ook toereikend gemotiveerd.
Met de uitspraak van de Hoge Raad zijn de veroordeling, de opgelegde maatregel en de toegekende vorderingen tot schadevergoeding definitief.
